Japan 2017

Op 24 september 2022  kwam mijn tweede boek uit. Een boeiend verhaal over mijn boeddhistische wandeling langs 88 tempels op het eiland Shikoku.

Het eerste boek ging naar mijn oudste zus Bep. Door het tijdsverschil met Japan sliep iedereen thuis als ik opstond. Ik mocht haar nachtrust keer op keer verstoren.

“Bijna vijandig keken de bergen me aan toen het vliegtuig zijn landing inzette naar Kansai Airport. Zouden er ook vlakten bestaan in Japan? Welk eiland was Shikoku? Manhaftig probeerde ik elke angst voor het onbekende te verdringen. Was dit nu waar ik van droomde? Weg was de euforie van de laatste dagen. Weg was het vastbesloten gevoel dat anderhalf jaar terug ontstond. Ik was tweeënhalve maand aan mezelf overgeleverd. Het was alsof het nu pas tot me doordrong. Ik, alleen met mijn rugzak. Met moeite drong ik mijn tranen terug en ik nam me voor om bij aankomst in Osaka weer het eerste vliegtuig naar huis te nemen…”

ISBN:978-90-6008-354-9

Korte fragment uit Hachi-jū-Hachi

“Eigenlijk zijn deze schoenen niet meer geschikt om veilig mee te klimmen en dalen. Er zijn zelfs al stukken van de hak af en de waterdichtheid is ook ver te zoeken”

Storm op de Gokenberg

20 juni: tempel 84 Yashimaji, tempel 85 Yakuriji

Stralend komt de vrouw van de zenkon-yado om half zeven met een blad vol eten binnenlopen. Ze verwent me. Er ligt eten op voor twee dagen. Ik neem een rijstballetje en de banaan mee voor onderweg. Als ik alles heb ingepakt, wacht ik tot ze weer terugkomt. Ze heeft een envelop voor me gemaakt. ‘Flowers’, zegt ze en wijst naar het plaatje van bloemen dat ze erop heeft geplakt. Ik kijk haar aan, ontroerd dat ze dit voor mij heeft gedaan. Een gewoon “arigatō” is hier niet meer genoeg. Ik geef haar een stevige knuffel. Haar man komt nu ook. In de mooie kamer poseren ze voor me. Vervolgens maakt de man een foto van ons beiden. Ik moet glimlachen als ik merk dat ze zichzelf voor de foto zo groot mogelijk maakt. Ik zak door mijn knieën, nu zijn we even groot.

Samen zwaaien ze me uit. Voor ik ze niet meer kan zien draai ik me nog één keer om, breng mijn arm omhoog en wuif nog een keer. Ik heb ze voor altijd in mijn hart gesloten. Mijn ogen gaan over het lieve echtpaar, met elke stap scheiden onze wegen voorgoed… 

Als ik de stad uit loop, heb ik de Gobo rivier aan mijn rechterhand. Het water is smerig, er zwemmen dikke, grijze karpers in. Roodwangschildpadden rusten op stukken huisvuil. Het is bewolkt, de luchtvochtigheid en de temperatuur zijn afschuwelijk hoog. Het klimwerk naar tempel 84 gaat moeizaam. Ik wist niet dat ik zo kon zweten. Ik stop veel en drink flink van de groene thee.

Om twaalf uur loop ik door de poort van tempel 84, Yashimaji. Een groot, ruim opgezet terrein met meerdere tempels. Een prachtig complex met goed onderhouden gebouwen, maar ik mis de intieme sfeer. Niet ver van de tempel is het Yashimaji Plateau. Zittend op een bankje kijk ik uit over de stad. Van de Seto Inland Sea met de andere eilanden aan de overkant zie ik weinig, alles is bedekt met een witte, vochtige laag.

De eerste kilometer van de afdaling is heftig. Het afschrikwekkende, steile pad loopt aan de schaduwzijde van de rotsen naar beneden. Er hangt een muffe geur van rottend blad en vochtige rotsen die nooit zon zien. Voorzichtig ga ik stap voor stap naar beneden. Gelukkig hebben ze op sommige stukken touwen geplaatst waar ik me aan kan vasthouden. Ik zet mijn voeten tussen oude boomwortels die als reusachtige klauwen over de rotsen liggen en zo de losse brokstukken bijeenhouden. Ook al is de paniek verdwenen, angstvallig blijf ik kijken of ik slangen zie. Het laatste stuk gaat weer door de woonwijken. Soms vlak langs de achterdeuren. De wegen zijn hier smal, in mijn ogen verdienen ze die naam nauwelijks. Als ik langs de middelbare school van Yashima loop, komt er een bekende melodie uit de luidsprekers op het plein. Gedachteloos zing ik de melodie mee. Het duurt even voor het tot me doordringt. Ik draai mijn hoofd naar de luidspreker, alsof die er verantwoordelijk voor is, want ik zing het Ave Maria! Het laatste wat ik in een overwegend boeddhistisch land zou verwachten. En juist deze uitvoering speelde ik tijdens de huwelijksceremonie van Robbert en Sylvia. Het lijkt wel of thuis me roept. 

Voor ik verder omhoog ga naar tempel 85, Yakuriji, stop ik bij een Lawson Station winkel. Ik stuur een berichtje naar huis: ik slaap vannacht bij tempel 85 op de Gokenberg. Terwijl ik een beker koffie drink, kijk ik weer eens naar mijn schoenen. Het slijtageproces gaat wel erg snel, er zit nagenoeg geen profiel meer op de zolen. Eigenlijk zijn deze schoenen niet meer geschikt om veilig mee te klimmen en dalen. Er zijn zelfs al stukken van de hak af en de waterdichtheid is ook ver te zoeken. De binnenkant is gelukkig nog redelijk gaaf. Zolang het droog blijft, kan ik er de laatste tempels nog op bezoeken. Daarna ben ik weer in de stad en kan ik op mijn sandalen de laatste dagen doorbrengen. Ik spaar nu boodschappenzakjes om over mijn sokken te doen, want er wordt weer regen verwacht!

Ik koop nog wat eten en drinken voor vanavond op de berg en ga vervolgens terug naar het pad. Nauwkeurig volg ik de rode pijlen. Het lopen gaat een stuk beter dan vanmorgen. De zon is inmiddels helemaal verdwenen. Ik kijk af en toe naar het weerbeeld, ik kan het hier slecht inschatten. 

Na uren klimmen zie ik opeens de vertrouwde gestalte weer. Ik stuit op een groot beeld van Kōbō Daishi, uitgehouwen uit glad, grijs marmer. Deze keer zit hij in kleermakerszit. Vriendelijk kijkt hij uit over het dal. In zijn rechterhand draagt hij nu geen stok, maar de varja. De varja staat onder andere symbool voor onverwoestbaarheid, maar vooral voor spirituele kracht. 

Een half uur later ben ik bij tempel 85, Yakuriji. De tempel is aan de oostkant, net naast de top van de Gokenberg, op 325 meter hoogte gebouwd. Hij is vernoemd naar de kastanjebomen die Kōbō Daishi hier ooit heeft geplant. Het is al rustig als ik het terrein op loop, de laatste henro-san verlaten het terrein. Met een dubbel gevoel trek ik de boomstam naar achter, waarna hij met een grote zwaai tegen de grote klok in de klokkentoren aankomt. Terwijl het donkere geluid van de koperen klok na-echoot tussen de bergen kan ik alleen maar denken: nog maar drie keer… Bij de hoofdtempel staat mijn kaarsje eenzaam tussen de stompjes die nog over zijn van de henro-san die allang de berg zijn afgegaan.

Als ik voor de tempels sta, kan ik mezelf moeilijk motiveren om de rituelen te doen. Zelfs mijn eigen soetra valt hier uit elkaar in lege woorden. Onrustig kijk ik steeds over mijn schouders. Wanneer ik mijn rituelen heb gedaan zoek ik de hut, er moet er een zijn bij de kabelbaan. Het bouwsel ziet er goed onderhouden en stevig uit, maar is wel aan alle zijden open. Wat als het vannacht gaat regenen? Zoekend kijk ik rond. Tevreden vallen mijn ogen op een stel stevige banken onder een groot afdak.

Om vijf uur gaat de kabelbaan voor de laatste keer naar beneden. Voordat hij gaat, roept de bestuurder me en maakt duidelijk dat hij niet meer boven komt. Ik knik hem geruststellend toe en zeg dat ik niet meega, dat ik boven blijf. Kort daarna zie ik dat de tempels sluiten. De laatste monniken verlaten het terrein. Ik keer me om naar het afdak, plaats twee banken tegen elkaar en schuif ze vervolgens tegen de muur. Ik blaas mijn luchtbed op en spreid mijn slaapzak erop uit. Als laatste zet ik de pop-up klamboe er bovenop. Mijn spullen zet ik naast de banken. Ten slotte zet ik mijn Kūkai-stok, mijn beschermer, dicht naast mijn bed. De hoed plaats ik erop. Ik ben klaar voor de nacht…

Het is een gek gevoel om alleen op het terrein rond te lopen. Het geluid van mijn stappen echoot tussen de gebouwen. De paarse gordijnen van de gesloten tempels bewegen zachtjes heen en weer. De kaarsjes en de wierookstaafjes zijn opgeruimd. Het is angstaanjagend. Zo stil. Spookachtig bijna. De grijze wolken lijken wel steeds lager te zakken. Ik hoor een enkele vogel roepen. Een kikker kwaakt. Zachtjes ruisen de bladeren. Er staan bomen die een weeïge, zoete geur verspreiden. Een grote stenen afbeelding van Kōbō Daishi staart me vanonder zijn sugegasa vorsend aan. Ik voel zijn ogen branden in mijn rug. Onrustig kijk ik af en toe om me heen, hoor ik iemand? Snel draai ik me om. Ik zie slechts boeddhabeelden met een duistere blik. De rode slabbetjes van de Jizō-beelden steken te fel af tegen het grijs van het beton waar ze van zijn gemaakt. De blauwe hortensia’s lijken te blauw. Ik voel me Alice in Wonderland.

Als ik verder op onderzoek uitga, zie ik dicht naast mijn “bed” een vending machine staan. Ik vind ook een stopcontact om mijn iPad op te laden en er is een kraan met helder, koud water. In de hoek is een schoon toilet. Ik heb toch alles om de nacht goed door te komen? Waarom heb ik nog steeds een onbehaaglijk gevoel? 

Zittend op de bank in de rusthut hap ik van mijn rijst. Met mijn chopsticks eet ik de sla uit het zakje en stop vervolgens het restje ei in mijn mond. Mijn ogen glijden over de hoge, grillige pieken boven me. Ooit had deze berg er vijf, maar de oostelijke piek stortte in tijdens de grote aardbeving van 1706. Ze maken een sinistere indruk op me. De schaduwen van de bergtoppen worden steeds langer, ze doen me denken aan lange tentakels die me willen pakken. Langzaam gaan hun grillige bewegingen op in de duisternis. Als het volledig donker is, stap ik in mijn bed. Ik pak mijn iPad en probeer wat te lezen, maar mijn gedachten gaan steeds met me aan de loop. Opeens denk ik: ik lijk wel knettergek! Wat doe ik hier helemaal alleen op de Gokenberg?

Al snel hoor ik de eerste tikken op het afdak. Regen! Met de regen komt de wind. In korte tijd neemt hij toe in kracht en gaat hij over in een zware storm. In hevige stoten komt hij brullend over de top en valt op het gebouw neer, waarna hij in een hoog tempo om het gebouw heen draait. Met gierende uithalen rukt hij aan de bomen.

De enkele druppels regen gaan over in stortbuien. Wat doe ik hier?, vraag ik mezelf weer af. Niemand weet dat ik hier in mijn eentje zit. Maar er is nu geen keus meer en ik kan alleen maar blij zijn dat ik mijn slaapplaats zorgvuldig heb uitgekozen. Even verderop staan nog meer banken, die hou ik angstvallig in de gaten. Zolang die niet door de lucht vliegen, hoef ik niet echt bang te zijn, hou ik mezelf voor.

Ik trek mijn slaapzak op tot onder mijn kin. Het is aardedonker om mij heen, ik zie slechts wat contouren van heftig zwiepende takken. De storm davert verder en vult de atmosfeer met een nerveuze spanning. Ik pak mijn hoofdlamp en zet die op, in geval van nood heb ik het licht bij de hand. Ik knip het licht niet aan. Bang om met iets geconfronteerd te worden, met iets wat ik liever niet wil zien. Om de tijd sneller te laten gaan, speel ik een spelletje op mijn iPhone en lees wat in mijn boek. Maar steeds weer gaan mijn ogen door de donkerte en probeer ik de situatie in te schatten. Tot nu toe bereikt het water mijn slaapplaats nog niet. Uit voorzorg zet ik al mijn spullen bij me op de banken. Wanneer ik echt hoognodig moet plassen, ga ik niet verder dan de waterrand. Zwartgallig denk ik: dat kleine beetje vocht van mij valt in het niet bij de vrachten die uit de lucht vallen. 

De slaap wil niet komen. Ik denk aan thuis, aan mijn veilige bed. Bij mijn voorbereidingen had ik nooit kunnen bedenken dat ik zo de nacht zou doorbrengen. Uur na uur lig ik wakker, hopend op het eerste sprankje licht dat de ochtend aankondigt. Bij de fel uitvallende windstoten voel ik een zuigende lucht langs mijn wangen gaan, mijn haren worden hoog opgetild. De lucht is zwaar van het vocht. 

Piekerend lig ik onder mijn klamboe. Ik maak me heftig zorgen om morgen. Als de wind niet gaat liggen, kan ik niet naar beneden. Met deze schoenen waarvan het profiel volledig is versleten, is het levensgevaarlijk. Ik zal mijn plan moeten aanpassen. Als het zo hard blijft waaien, komt de kabelbaan misschien niet eens boven, tob ik verder terwijl ik de windrichting nauwlettend in de gaten hou. 

Het maalt in mijn hoofd. Toch probeer ik steeds weer oplossingen te bedenken. Wanhopig kijk ik, met behulp van het licht van mijn telefoon, in mijn boekje om een andere weg naar beneden te vinden. Ik zie er niet een. Ze zijn er gewoon niet. Uiteindelijk draai ik me op mijn zij en hou mijn handen voor mijn oren en probeer zo het lawaai te negeren. Af en toe zak ik even weg in een onrustige slaap. Ik geef het op en leg mijn lot in de handen van Kōbō Daishi…