Santiago de Compostela 2013

In september 2017 kwam mijn boek ‘Vronie Veronica Veronique’ uit. Hierin beschrijf ik de impact die de wandeling,  van de Bobeldijk  naar Santiago de Compostela, op mij heeft gehad. Het eerste exemplaar heb ik uitgereikt aan mijn broer Jan, een onroerend moment.

ISBN:978-94-6008-288-7

Kort fragment uit Vronie Veronique Veronica

 “Dan gaat zijn blik omhoog, hij kijkt me recht aan. Zachtjes maar duidelijk vervolgt hij: ‘Wil je alsjeblieft ook voor mij lopen?”
 Het kompas
 27 juli, Frómista – Carrión de los Condes

Het ontbijt stelt niet veel voor, ondanks de naam van de albergue Estralla (sterren). Erger nog, de keuken is gesloten. Mijn rugzak bevat gelukkig genoeg proviand. Ik deel het met Philippe. We zitten op een bankje in het halletje en kijken naar de anderen die onrustig heen en weer lopen. Philippe zit zwijgend naast me. Ik heb het gevoel dat hij me iets wil vertellen. Dan komt het hoge woord eruit: ‘Ik stop. Ik ga naar huis. Ik neem straks de bus die mij naar het treinstation brengt.’ Ik voel dat er meer redenen voor hem moeten zijn om terug te gaan, het kan niet vanwege de open voetzolen zijn. Ik vraag nergens naar, en respecteer zijn zwijgzaamheid.

Als hij opstaat, vraagt hij of ik mee naar buiten wil gaan. Daar is het rustig om ons heen. Philippe steekt zijn hand in zijn broekzak en pakt er iets uit. Als hij hem opent, ligt er een klein kompas in. Hij kijkt ernaar en zegt: ‘Ik wil je deze graag geven. Dit kompas heeft voor mij heel veel waarde. Ik geef het aan jou. Veronica, je bent een sterke vrouw. Jij gaat het redden.’ Hij is even stil, zijn blik nog steeds gericht op het kompas. Dan gaat zijn blik omhoog, hij kijkt me recht aan. Zachtjes maar duidelijk vervolgt hij: ‘Wil je alsjeblieft ook voor mij lopen?’ Stil kijk ik hem aan.

Intussen drukt hij het kompas in mijn hand. Ik kijk ernaar, met stomheid geslagen. Ik besef de grote emotionele waarde van dit kompas. Waarom geeft hij het aan mij?

Toch, er is geen haar op mijn hoofd die eraan denkt om het te weigeren. Een voor een sluit ik mijn vingers om het kompas tot het veilig in de palm van mijn hand rust. Dit bijzondere gebaar overweldigt me.

Ik kijk Philippe aan en zeg alleen: ‘Mag ik je telefoonnummer? Ik wil je graag op de hoogte houden van de vorderingen van het kompas.’ Kort omhelzen we elkaar. Dan verlaat hij de albergue. Ik kijk hem na. Hij maakt een verdrietige indruk…

 Ik stop het kompas diep in mijn broekzak en neem mezelf voor dat het die plek niet zal verlaten tot ik weer thuis ben. Als ik even later mijn hand in mijn broekzak steek raken mijn vingers het zachtjes aan. Het voelt goed daar. Veilig, als een baken. Het kwam op het dieptepunt van mijn camino. Op het moment dat ik twijfelde of ik het wel zou kunnen volbrengen. Het wijst me de weg en geeft me de kracht om door te gaan. Geen moment aarzel ik meer aan mijn doel.

 Wat onwennig sta ik even later op twee sandalen voor de albergue. Mijn voeten, gestoken in dikke zwarte sokken, steken er aan de voorkant uit. Het ziet er niet elegant uit, maar dat interesseert me niet. Ik ben er klaar voor. Mijn schoenen bengelen aan mijn rugzak. Samen met Allison en Greta begin ik de nieuwe wandeldag. Grijze wolken pakken zich boven ons samen, het dreigt zelfs naar regen.

Het loopt niet eens zo slecht op sandalen, de pijn is zo veel minder. Wel mis ik de stabiliteit en de stevigheid bij mijn enkels.

 Voor we Frómista verlaten drinken we in het hart van het dorp nog een kopje koffie. Blij verrast steek ik mijn arm omhoog als ik een bekende gestalte bij de bushalte zie staan. Philippe. Hij wacht daar nog steeds nog op de bus. ‘Philippe!’, roep ik. ‘Kom, drink een kopje koffie met ons.’ Met z’n vieren zitten we bij elkaar en wachten tot zijn bus komt. Het wordt wat stil in mijn hart. Met mijn vingers om zijn kompas kijk ik de bus nog lang na…

Zal ik hem ooit nog zien?