Regen en Orlanda…

21 juni
Ergens vannacht waaide de Henrohoed van zijn stok en viel op de klamboe. Ik heb hem onder het net gelegd voor mijn gezicht, dat gaf zo wat luwte.

Om half vijf is het licht genoeg om wat te zien. Ik zie dat er onder het afdak grote plassen liggen en veel bladeren met takken. De wind loeit nog onveranderd en het ziet wit van het water. Ik stop mijn hoofd nog even diep weg van alles. Ik hoop nog steeds dat, net als thuis, het ergste straks voorbij zal zijn. Mijn holletje op de banken is best aangenaam. Met het lawaai op de achtergrond doezel ik weer weg.

Het is half zes als ik mijn ogen weer open doe. Tot mijn opluchting is de storm verdwenen, ik kijk alleen nog tegen een muur van water aan. Ik ga rechtop zitten en draai resoluut de dop van het luchtbed open. Met een sissend geluid loopt de lucht eruit. Als ik de planken onder mijn billen voel ga ik er languit op liggen om zo de laatste restjes eruit te drukken. Nog steeds zittend op de banken vouw ik de klamboe in elkaar en stop mijn slaapspullen onderin mijn rugzak. Ik strek mijn arm uit en pak mijn schoenen die ik klem gezet had achter een bankpoot.

Wat ben ik blij dat ik op de banken ben gaan liggen. In en rond de hut is het drijfnat en alles ligt vol boomafval. Er is nog geen teken van leven bij de kabelbaan en het winkeltje is nog gesloten. Ik open de bovenkant van mijn rugzak en pak schoon ondergoed. Staandenaast de banken doe ik mijn korte broek uit en verwissel het ondergoed.

Ik zet de banken weer netjes terug. Aan niets kan je zien dat ik hier de nacht heb doorgebracht. Aan de voorkant van het gebouw staat een andere bank, ik ga daarop zitten en pak eten uit mijn rugzak. Met af en toe een slok uit het blikje koffie kauw ik in alle rust op het brood. Ik pak mijn routeboekje nog een keer om het pad nog eens te bestuderen. Wat ik vannacht niet zag zie ik nu wel. De weg is steil maar bestaat wel uit asfalt! Ik geef een zucht van opluchting. Ik kan lopend naar beneden, het is veilig genoeg. Ik kan alleen maar drijfnat worden!

Opeens gaat de deur naast me open. Een Japanse man met ontbloot bovenlijf komt naar buiten. Als hij mij ziet gooit hij met een klap de deur weer dicht. Ik grinnik. Ik denk dat hij meer verschiet als ik. Zoals ik, nog geen vijf minuten terug, in mijn blote billen stond zo komt hij nu zonder hemd naar buiten. Hij heeft, net als ik, gedacht dat hij hier alleen was!
Na een tijdje komt hij keurig gekleed buiten. ‘Ohayo gozaimasu’, groet ik hem met een ondeugende grijns. Hij mompelt wat terug. Ik lach weer. Ik was vannacht hier niet zo alleen als ik dacht…

Ik kijk weer eens naar de regen en maak een plan. Ik wacht nog een half uur en als het niet minder wordt ga ik toch de confrontatie met het water aan.
Twintig over zeven wordt de regen beduidend minder. Ik kan mijn geluk niet op. Ik trek alle regenkleding aan. Doe de tasjes om de binnenzool van mijn voeten en stap zo in de schoenen. Opgewekt verlaat ik het terrein van tempel Yakuriji. Ik zal deze tempel niet snel vergeten!

De afdaling gaat straf naar beneden. Na een kilometer kan alle regenkleding uit. Het is droog! Wat heb ik een geluk. Als ik een beeld van Kōbō Daishi passeer stop ik. Ik maak een buiging en dank hem voor de goede zorgen van vannacht en nu.

In plaats van in de regen loop ik nu in een dikke vochtlaag. De temperatuur heeft niet geleden onder het weer. Het is alsof ik in een stoomcabine loop. Al snel stop ik wéér. Het zweet loopt van me af, ik trek mijn shirt uit en ga in een topje verder. Diep beneden me in het dal zie ik de zon schijnen, wat heb ik een geluk.
Om mijn knieën en mijn voeten te ontzien ga ik zigzaggend naar beneden. De weg ligt vol met takken en bladeren, stille getuigen van de storm vannacht.

Bij Yakurri-shinmichi kom ik weer in de bewoonde wereld. Het water stroomt snel door de gootjes langs de weg. Waar water is zijn hier de krabben. In ooghoek zie ik opeens een prachtig exemplaar. Een mooie harde rode schild en lichtgekleurde pootjes. Met snelle bewegingen loopt hij recht omhoog tegen de betonwand van de goot. Snel pak ik mijn camera. Het beestje, van ongeveer vier centimeter ziet me en stopt.Met zijn bolle oogjes gluurt hij me argwanend aan. Als ik nog dichterbij kom steekt hij zijn scharen vijandig naar me uit. Ik glimlach en zeg tegen het beestje: ‘Maak je niet zo druk, ik lust helemaal geen vis en krabben.’ Een Japanse vrouw die haar hond uitlaat ziet me bezig. Ze kijkt nieuwsgierig naar wat ik fotografeer. ‘Ah, Kani’, roept ze. Ze wijst en zegt nog een keer: ‘Kani.’ Weer een woord geleerd denk ik.

In een rustig tempo ga ik verder. Ik voel aan de lucht dat ik weer richting de zee loop. Het is hier frisser, het is minder vochtig. Achter me hoor ik hoe de golven op het strand landen. Een kort momentje twijfel ik: zal ik even naar de zee gaan? Ik schud met mijn hoofd. Beter van niet. Ik wil op tijd bij tempel zevenentachtig aankomen. Ik voel hoe de nacht zonder slaap zijn weerslag begint te krijgen. Mijn voeten soppen in de plastic tasjes, nu van het zweet.

Vlak voor tempel zesentachtig, Shidoji, begint het weer te regenen. Niet meer zo heftig, meer een miezerig buitje. Ik doe mijn regenkleding weer aan. Het tempelterrein van Shidoji is een trieste gezicht. Er is niemand. Ik zet mijn rugzak op een bank. Ik wil hoe dan ook mijn rituelen doen. In mijn witte Henrojasje sta ik voor de tempel. Het kaarsje waait steeds uit, de wierook wil slecht branden. Ik voel me als het weer….
De monnik in het kantoor zit droog en warm. ‘Waar kom je vandaan?’, vraagt hij. ‘Uit Holland’, antwoord ik. Met mijn rechterhand schuif ík mijn natgeregende haar achter mijn oor. Als antwoord schuift hij me iets toe. Een speldje. Als bemoediging? Ik bedank hem en ga naar buiten. Ik worstel met mijn natte regencape. Ik krijg hem niet goed omgehangen. ‘Pokkeding’, mopper ik. Mijn positieve energie raakt behoorlijk op.

Als ik een seven-eleven winkel zie stop ik. Ik wil zitten en opdrogen. Ik heb trek in koffie en iets lekkers. Ik wil daar mijn telefoon opladen.

Er zijn geen tafels en er zijn geen stoelen. Op een bureaublad liggen folders. Ik schuif ze opzij en ga daarop zitten. Mijn voeten zijn zo moe, ik wil er even geen druk op. Ik zie een stopcontact en plug mijn iPhone in. De koffie smaakt heerlijk, gretig hap ik in het gevulde broodje.
Ik lees de berichtjes op mijn telefoon en beantwoord ze. Ze moesten eens weten, denk ik, hoeveel energie ik haal uit deze contacten. Met een verlangende blik in mijn ogen luister ik naar een ingesproken berichtje van Fleur en Sarah.
Als ik naar buiten kijk zie ik hoe de mensen zo snel mogelijk in en uit hun auto stappen. Het miezeren heeft plaats gemaakt voor dikke druppels.

De volgende tempel is ruim zeven kilometer lopen. Er is daar een slaapgelegenheid op het station Nagao: Michi-no-eki. Daar wil ik stoppen. Stoïcijns stap ik door. Ik zou eigenlijk moeten pauzeren om te eten. Nog even verder, denk ik steeds weer. Totdat ik het vergeet.

Na twee uur sta ik voor tempel Nagaoji. Ik buig voor ik onder de poort doorga. Om een groot zanderig terrein liggen wat gebouwen. Voorzichtig steek ik het terrein over, de plassen zoveel mogelijk vermijdend. Ik ben alleen met de regen.

Ik kijk om me heen, waar zal ik mijn rugzak neerzetten? Tegenover de hoofdtempel staat een blauw bankje met reclame en een telefoonnummer. Ik was mijn handen en de stok, als eerste onderdeel van mijn ritueel. Ik kijk rond. Ik wil hoe dan ook de gong laten gaan. Laten horen dat ik door niets ben tegen te houden. Mijn ogen gaan het terrein af. Niets! Ik trek mijn Henrohesje niet aan, het blijft droog in mijn rugzak. Met de wierook, de kaarsjes en mijn naambriefjes in mijn hand steek ik het terrein over. Na een paar pogingen blijft mijn kaarsje branden. De wierook regent bijna onmiddellijk weer uit. Ik vouw mijn handen. Ik kom niet verder als het onze vader. Mijn schouders schokken, dit is niet leuk meer. ‘Ik wil naar huis’, zeg ik zachtjes.

Met mijn stempelboek, zorgvuldig in een plastic tas gewikkeld, zoek ik het kantoor voor de stempel. Waar staat dat gebouw? Ik probeer alle deuren tot er een opengaat.
De monnik knikt me toe. Als hij klaar is vraag ik naar het Henro-house. Volgens de lijst met Henro-huizen moeten er hier ook een zijn. Ik heb besloten om niet op het station te slapen. Ik verlang naar een droge kamer, een douche. De slapeloze nacht begint me op te breken.

De monnik, een vriendelijke knul, pakt een kaartje en tekent de route uit. Weer glimlachend bedank ik hem.
Met het kaartje in mijn hand ga ik de straat op. Nog even, denk ik.
Ik snap niets van het kaartje, ben ik nou zó dom? Ik zie geen enkel aanknopingspunt. Ik vraag het keer op keer aan voorbijgangers. Niemand weet van het bestaan van een Henro-house hier. Tenslotte loop ik het busstation in. Dat zijn mensen van de ‘weg’. Mijn vraag wordt besproken, er wordt gekeken op een busschema. Een van de meisjes spreekt Engels. ‘Snel,’ zeg ze, daar komt de bus!’ Bus? Nu begrijp ik het helemaal niet meer. ‘Het is zeker één uur lopen’, zegt ze. Ik kijk haar aan. Hier gaat iets niet goed, denk ik. De moeheid en de regen maken me onredelijk. Ik pak het getekende schemaatje terug. Prop het in elkaar en verlaat hun kantoor voordat ik óók onredelijke dingen ga zeggen. Ik zie hun verbaasde blik als ik wegloop. Ik schaam me diep en glimlach nog wat schaapachtig terug.

Buiten kom ik tot mezelf. Ik ga terug naar het kantoor van de monnik. Ik ga het hem wéér vragen.
Ik zie zijn verbaasde blik als ik weer binnenstap. Nogmaals stel ik mijn vraag. Ik laat mijn routeboekje zien en zeg slechts: ‘Henro-house hier!’ Ik wijs naar de plaats van de tempel. Ik weet niet of Aziaten kunnen blozen maar ik zie aan zijn ogen hetzelfde. ‘Sorry, sorry’, roept hij keer op keer. Snel stapt hij in zijn houten slippers en loopt met me mee. Tegenover de ingang van de tempel is het verblijf. Hij opent de deur voor me. Als er niet snel genoeg iemand komt roept hij de vrouw met luide stem.
Als ze verschijnt vertelt hij haar iets in het Japans. Hij verontschuldiging zich nog een keer en loopt dan snel terug naar zijn tempel.

Soms gaan dingen gewoon goed….
‘Waar kom je vandaan?’, vraagt de kleine vrouw met een licht permanent in het haar. ‘Uit Orlanda’, antwoord ik. ‘Orlanda?’, roept ze verheugd, daar woont mijn dochter.
De grote zeeën tussen onze werelden vallen weg. Ze loopt naar de keuken en komt met een mobiele telefoon terug. Ze toets een nummer en zegt:’ Mijn dochter!’ Ze drukt de telefoon in mijn hand. Opeens praat ik Nederlands met haar dochter in Lelystad… Glimlachend staat de vrouw ernaast.

Ze gaat me voor naar mijn kamer. Ze laat de douche zien en de wasmachine. Er is WiFi in het huis.  Ze drukt me een plak chocolade en een snoepjes in mijn hand. ‘Ik ga het bad voor je vullen,’ zegt ze, ‘ik roep je als het klaar is.’ Haar man brengt een grote fles water zodat ik thee kan zetten. Als ik de onkosten betaal voor deze overnachting geeft ze me ¥1000 terug. ‘Osettai’, glundert ze.

Als de deur dicht is, ga ik liggen. Ik ben té moe om te slapen. Ik rommel wat met mijn spullen en pak wat eten. Met lange tanden eet ik er wat van. De telefoon van mijn kamer gaat. Een juichende stem zegt: ‘Het bad is klaar!’ Met een zucht laat ik even later in het hete water zakken. Dankbaar voor alle lieve zorg.

In het dorp koop ik wat eten voor morgen. De zon schijnt weer. Een stevige bries waait alle vocht uit de lucht. Terug in mijn kamer doe ik de kimono aan. Ik leg alles klaar voor morgen. Opeens valt mijn oog op mijn benen. Zo harig als de benen van een man! Morgen bezoek ik mijn laatste tempel. Met zulke ruige benen? Ik sta op en zoek het scheermesje in mijn rugzak. Die heb ik al lang niet meer gebruikt.

Met grote halen scheer ik de haren van mijn benen. Daarna smeer ik mijn benen in met een zachte crème. Tevreden kijk ik naar het resultaat. Ik lach en voel me weer vol energie. Ik kijk uit naar morgen. De laatste tempel. Ik ben alleen en er is niemand die er nu op me wacht. Ik zal dit moment zelf tot een mooie herinnering moeten maken.

Als de vrouw even later een schaaltje met meloen en ander vers fruit naar binnen schuift ziet ze een tevreden vrouw…

Storm op de ‘Goken’ berg

20 juni
Stralend komt om half zeven de vrouw van de zenkonyado met een blad vol eten binnenlopen. Ze verwent me. Er ligt eten op voor twee dagen. Één rijstballetje en de banaan neem ik mee voor onderweg. Als ik alles heb ingepakt wacht ik tot ze weer terugkomt. Ze heeft een envelop voor me gemaakt. ‘Flowers’, zegt ze en wijst naar het plaatje van bloemen die ze erop geplakt heeft.
Een gewoon ‘arigato’ is hier niet meer genoeg. Ik geef haar een stevige knuffel. De man komt nu ook. In de mooie kamer poseren ze voor me. Vervolgens maakt de man een foto van ons beiden. Ik moet glimlachen als ik merk dat ze voor de foto zichzelf zo groot mogelijk maakt. Ik zak wat door de knieën, nu zijn we even groot.
Ze zwaaien me samen uit. Voor ik ze niet meer kan zien draai ik me nog even om, ik heb ze in mijn hart gesloten.

Ik heb de Gobo rivier aan mijn rechterhand als ik de stad uitloop. Het water is smerig, er zwemmen dikke grijze karpers in. Roodwangschildpadden rusten op stukken huisvuil.
Het is bewolkt, de luchtvochtigheid en de temperatuur zijn afschuwelijk hoog. Het klimwerk naar tempel vierentachtig gaat moeizaam. Ik wist niet dat ik zo kon zweten. Ik stop veel en drink flink van de groene thee.

Om twaalf uur loop ik door de poort van tempel vierentachtig, Yashimaji. Vlak bij de tempel is het Yashimaji Plateau. Zittend op een bankje kijk ik uit over de stad. Van de Seto Inland Sea zie ik weinig. Alles is bedekt met een witte vochtige laag.

De eerste kilometer van de afdaling is heftig. Afschuwelijk stijl. Voorzichtig ga ik stap voor stap naar benden. Gelukkig hebben ze op sommige stukken touwen geplaatst waar ik me aan kan vasthouden. Ik zet mijn voeten tussen oude boomwortels die als reusachtige klauwen over de rotsen liggen. Het laatste stuk gaat weer door de woonwijken. Soms direct langs de achterdeur. De wegen zijn soms erg smal, in mijn ogen zijn het paadjes! Als ik langs de Yshhima school loop komt er een bekende melodie uit de luidsprekers op het plein. Zonder nadenken zing ik de melodie mee. Het duurt even tot ik het weet. Het is het Ave Maria, een lied die ik in een boeddhistisch land niet zou verwachten. Ik heb deze uitvoering gespeeld tijdens de huwelijksceremonie van Robbert en Sylvia.

Voor ik weer omhoog ga naar tempel vijfentachtig, Yakuriji stop ik bij een Lawsonwinkel. Ik stuur een berichtje naar huis: ik slaap vannacht bij tempel vijfentachtig boven op de berg ‘Goken’.

Terwijl ik een beker koffie drink kijk ik weer eens naar mijn schoenen. Het slijtageproces gaat rechts wel erg snel. Er zijn zelfs al stukken van de hak af. De binnenkant is gelukkig nog wél gaaf. Zolang het droog blijft kan ik er de laatste tempels nog op bezoeken. Daarna ben ik in de stad en kan ik op mijn sandalen de laatste dagen doorbrengen. Ik spaar nu boodschappenzakjes om over mijn sokken te doen. Er wordt regen verwacht!

Ik koop nog wat eten voor vanavond en ga terug naar het pad. Nauwkeurig volg ik de rode pijlen. Het gaat een stuk beter als vanmorgen. De zon is inmiddels helemaal verdwenen. Ik wil blijven slapen in de hut boven bij de tempel. Ik kijk af en toe naar het weerbeeld, ik kan het hier slecht inschatten.
Na een half uur ben ik bij de tempel, Yakuriji. Met een dubbel gevoel luid ik de bel. ‘Hierna nog maar drie keer’, zeg ik tegen mezelf. Als ik mijn rituelen heb gedaan zoek ik de hut, hij moet bij de kabelbaan zijn.
Ik kijk naar het goed onderhouden stevige gebouw. Hij is wel aan alle zijden open! Dan vallen mijn ogen op een stel stevige banken onder een groot afdak.

Om vijf uur gaat de kabelbaan dicht en blijf ik alleen achter op het tempelterrein. Ik plaats de twee banken tegen elkaar en schuif ze tegen de muur. Hierop maak ik mijn bed. Ik ben bang dat het gaat regenen vannacht. De hut zal me dan niet genoeg bescherming geven. Al mijn spullen zet ik erbij.

Het is een gek gevoel om alleen op het terrein rond te lopen. Het geluid van mijn stappen weerklinkt tussen de gebouwen. De tempels zijn gesloten. De paarse gordijnen bewegen zachtjes heen en weer. De kaarsjes en de wierook staafjes zijn opgeruimd. Het is bijna angstaanjagend zo stil. Ik hoor een vogel wat roepen. Een kikker kwaakt. Zachtjes ruizen de bladeren aan de bomen. De beelden van Kūkai staan verstild naar me te kijken, hun rode slabbetjes steken fel af tegen het grijs van het beton waar ze van gemaakt zijn. De blauwe hortensia’s lijken wel blauwer. Ik voel me Alice in Wonderland.

Als ik verder op onderzoek ga zie ik dicht naast mijn ‘bed’ een blikjesmachine, ik vind een stopcontact om mijn iPad op te laden en er is een kraan met helder koud water. In de hoek is een keurig en schoon toilet. Ik heb alles om de nacht goed door te komen.
Op mijn gemak eet ik van mijn rijst en de sla met een restje ei.
Ik kijk eens naar de woeste rotsen tegenover me…

Als het donker word stap ik in mijn bed. Ik pak mijn iPad en ga wat lezen. Ik ben helemaal alleen op de Gokenberg. Ik lijk wel knettergek. Al snel hoor ik de eerste tikken op het afdak: regen! Met de regen komt de wind. In korte tijd neemt hij in kracht toe en gaat over in een zware storm. In hevige stoten gaat hij over de bergtop. De wind draait aan alle kanten om het gebouw. Met gierende uithalen rukt hij aan de bomen.
De enkele druppels regen gaan over in stortbuien. Wat doe ik hier?, denk ik weer. Niemand weet dat ik hier in mijn eentje zit. Maar er is nu geen keus meer. Ik ben blij dat ik mijn slaapplaats zorgvuldig heb uitgekozen. Even verderop staan nog meer banken, als die niet door de lucht gaan hoef ik niet bang te zijn, hou ik mezelf voor.
Ik trek de slaapzak op tot onder aan mijn kin. Ik zie slechts wat contouren van heftig bewegende takken. Ik pak mijn hoofdlamp en zet die op. Ik heb in geval van nood het licht zo snel bij de hand. Om de tijd sneller te laten gaan speel ik een spelletje op mijn iPhone en lees wat in mijn boek. Maar steeds gaan mijn ogen door het donkerte en probeer ik de situatie in te schatten.

Ik maak me heftig zorgen om morgen. Als de wind niet gaat liggen kan ik niet lopend naar beneden. Zeker niet met deze schoenen die niet waterdicht zijn en waarvan het profiel is versleten. Ik zal mijn plan moeten aanpassen. Gelukkig heb ik dagen genoeg. Als het zo hard blijft waaien komt de kabelbaan misschien niet eens boven, pieker ik verder, onderwijl de windrichting nauwlettend in de gaten houdend.

De slaap wil niet komen. Uur na uur lig ik wakker, te wachten tot het licht begint te worden. Bij sterke windvlagen voel ik de wind langs mijn wangen strijken. De lucht is zwaar van het vocht.
Uiteindelijk geef ik het op om oplossingen te bedenken. Ik draai me op mijn zijde en probeer het geluid te negeren. Af en toe zak ik even weg in een onrustige slaap.
Ik leg mijn lot in de handen van Kūkai…

 

 

Op mijn knieën in het bamboegras…

19 juni
Zo schoon als we de hut vonden zo schoon laten we hem achter.
In ganzenpas dalen we af. Het pad wordt omzoomd door bamboegras. Het gras hangt over het pad en maakt het daardoor moeilijk zichtbaar. Ik loop met mijn beide stokken voor me uit gestrekt en duw zo de lange stengels omwijdt. Het stikt hier van de vliegen, ze zoemen hinderlijk om mijn hoofd. Ik zwaai met mijn hand voor mijn gezicht om ze zo een beetje op afstand te houden.
De grond is hier anders, lichter van kleur. Nu het zo droog is, is de grond zo hard als de rotsen.
Het is heet. Binnen de kortste keren trek ik mijn shirt met mouwen uit en ga in mijn topje verder. De weerberichten geven code oranje. Dat betekent in Japan hoger als dertig graden.

Mijn rugzak weegt als een blok beton, terwijl er ondertussen toch al heel wat voedsel is uitgegaan. Ik weet eigenlijk wel waarom hij zo zwaar voelt, er is iets wat zwaar op mijn hart drukt. Ik vind het prettig om samen met Arya te lopen, maar ik wil eigenlijk ook weer alleen verder gaan. Het voelt allemaal dubbel.

In een rustig tempo dalen we verder. Onverwacht sta ik voor een heel steil stukje afdaling. Ik houd mijn pas even in en kijk waar ik het beste mijn voeten kan zetten. Het lukt! De laatste meter kan ik opvangen door snel mijn voeten te verzetten.

Opeens hoor ik een kreet achter me. Ik kijk om. Ik zie dat het Arya niet gelukt is. Hij glijdt onderuit. ‘Are you oké?’, roep ik bezorgd. ‘Alles is goed’, antwoordt hij
Ik wacht tot hij weer achter me loopt. Voorzichtig gaan we verder door het lange gras.
In het boekje hebben we gezien dat er na ongeveer zes kilometer lopen er seven-eleven winkel is. Daar willen we een lange pauze houden met veel koffie.

De afdaling blijft straf verder gaan. Zorgvuldig tast ik met mijn stokken de grond af. Als mijn rechtervoet opzij zwikt weet ik dat ik een kuil gemist heb. Ik val languit voorover naast het pad. ‘Ah, shit, nee’, roep ik. Ik kan geen kant uit. Ik voel me een schaap die verwentelt ligt, alleen andersom. Arya buigt zich bezorgd over me. Ik pak eerst mijn stokken uit het gras. ‘Wil je die asjeblieft voor me vasthouden?’, vraag ik. Dan maak ik mijn rugzak los en sta weer op. Angstig voel ik of mijn enkel geen beschadiging heeft opgelopen. Ik geef een zucht van verlichting, er is niets geforceerd. Arya wijst naar mijn linker knie. Zachtjes komt er wat bloed naar de oppervlakte. Het is slechts een lichte schaafwond. ‘Als we straks in de winkel zijn spoel ik die schoon met water,’ zeg ik, ‘dat is genoeg en ik heb jodium in mijn rugzak.’

Voorzichtig gaan we weer verder. Ik voel me moe, de hitte vreet energie. Als we bij de plaats komen waar de winkel moet zijn staan we voor een lege plek. De winkel wás daar ooit, maar nu niet meer. Dat valt vies tegen. Ik had er zo naar uitgezien. Opeens stopt er een auto. De man draait het raam open en roept ons. Ik loop naar de auto. Hij leunt voorover en reikt een tas aan. Er zitten twee flessen met ijskoude energiedrank in! Deze Osettai had geen beter moment kunnen hebben.

Anderhalve kilometer verder is een Lawson winkel en aan de andere kant van de straat staat een rusthut. Ik trek de banden van mijn rugzak wat aan, geef een zucht en verzamel energie voor dat laatste stuk.

We passeren twee vrouwen, ze staan gezellig te kletsen. ‘Ohayo Gozamaisu’, groet ik. Ik zie één van de twee even kort peinzend naar ons kijken. Opeens komt ze in actie. ‘Wacht, wacht’, roept ze. Ze holt naar binnen en komt met twee schattige poppetjes naar buiten. ‘Osettai’, zegt ze. De poppetjes stellen een Henropelgrim voor. Ik glimlach om dit lieve gebaar. We bedanken haar uitgebreid. Voor we vijf meter verder zijn, heeft ze het gesprek al weer hervat met de andere vrouw.

Mijn rugzak wordt met elke stap zwaarder, de striemen staan in mijn schouders.
Van verre zien we het blauwe bord van de Lawsonwinkel al. Met een zucht zet ik de rugzak op de grond. In de winkel koop ik wat lekkers voor de pauze. Dan pak ik mijn telefoon, ik log in met de freeWiFi van Lawson. Met een glimlach zie ik hoe mijn telefoon zich vult met mailtjes Straks in de rusthut ga ik die lezen. Snel laat ik nu mijn ogen over de whats-appjes gaan. Staande voor de winkel beantwoord ik die van thuis. Bij de berichtjes zit een ingesproken boodschap van Fleur. Met tranen in mijn ogen hoor ik haar vraag: ‘Oma wanneer kom je weer thuis?’ Ze vind dat het lang genoeg geduurd heeft. Opeens verlang ik ook naar huis.

Met de tas in mijn hand verlaten we het parkeerterrein van de winkel. Weer worden we staande gehouden. Een tros bananen en fruitpuddinkjes worden in onze hand gedrukt. Ik kijk eens naar Arya en zeg grinnikend: ‘De rugzak wordt zo steeds zwaarder.’

Bij de rusthut staat een koelkast. Op een briefje staat dat we er iets uit mogen nemen. Genietend drink ik uit een blikje koude koffie terwijl ik hap uit het croissant met chocola. Er liggen ook natte doekjes in de koelkast. Met een zucht leg ik er een boven op mijn hoofd. Een gewoonte die ik hier vaak gezien heb. Mijn ogen worden zwaar. Naast de bank staat een boom en daaronder is het heerlijk koel.
Ik pak mijn kussentje uit mijn rugzak en ga in de koele schaduw op het grind liggen en doezel zachtjes weg.

Met meer energie dan we stopten zoeken we de rode pijlen weer op. Tempel drieentachtig, Ichinomiyaji volgt al snel. Ik steek er een kaarsje op en brandt de drie staafjes wierook.

De hut waar ik wil stoppen is zeker nog twaalf kilometer verder lopen. Ik heb Arya niet gevraagd waar hij stopt vandaag. In de buitenwijken van Takamatsu zien we weer een rusthut. We stoppen voor een korte pauze. Als ik om me heen kijk zie ik dat het veel meer is dan een rustplaats. Het is een prachtig zenkonyado verblijf. We zitten nog maar nauwelijks als de eigenaren komen, we worden verwend met een fles thee. Ze hopen dat we blijven.

Soms neem je een beslissing waarvan je niet weet waarom je het op dát moment doet. Ik kijk Arya aan en zeg: ‘Ik blijf hier, ik ga niet verder.’ De beslissing, waar ik al een tijdje mee in mijn maag zit, is opeens genomen. De vrouw probeert Arya over te halen om óók te stoppen. Ik glimlach om haar verwoede pogingen. Ik weet dat hij woensdag al bij tempel achtentachtig wil zijn. Het is laat als hij opstaat, eigenlijk te laat om nog zo’n lange afstand af te leggen. Hij kijkt me aan. Vanaf het bankje kijk ik wat schuin terug. ‘See you om the road’, zeg ik en tover een glimlach op mijn gezicht. Hij kijkt me een beetje verbaasd aan en vraagt: ‘No hug?’ Snel sta ik op en zeg: ‘Natuurlijk.’ We geven elkaar een stevige knuffel. Ik mompel nog wat onnozele woorden: ‘Was leuk om met je te lopen.’
Als hij wegloopt voel ik een brok in mijn keel. Afscheid. Ik leer het nooit. Ik haat het…

Soms ontmoet je de juiste mensen op het juiste moment. Alsof de vrouw voelt dat ik verdrietig ben. Ze is zo lief voor me. Samen maken we mijn bed op. Ze doet me lachen als ze met drie balletjes tegelijk in één hand speelt. Ze laat me haar origamikunstwerken zien en geeft me een rondleiding door het huis. Ik heb het helemaal voor mij alleen. Samen kijken we naar de foto’s die ik de afgelopen maanden heb gemaakt. Samen oefenen we Japanse woorden.

Als ik geïnstalleerd ben loop ik naar de winkels. Ik koop eten voor vanavond en voor morgen. Ik beantwoord daar mijn mails en stuur een berichtje naar Arya. Het knaagt in me dat ik me zo stijf gedragen heb. Ik las vanmiddag in zijn ogen dat hij mijn reactie niet begreep. Eerlijk schrijf ik nu dat ik afscheid nemen moeilijk vind. Dat ik het heel fijn vond om een paar dagen met hem te lopen. ‘See you in the road’, eindig ik.
Zo is het beter.

Ik loop terug naar mijn huis voor één nacht. Ik geniet van de ruimte. Ik was mijn kleren in de wasmachine en eet van mijn meegebrachte maaltijd. De warme douche maakt me slaperig. Tussen de schone lakens heb ik nog veel om over na te denken.

Ik heb bewust gekozen om deze wandeling alleen te doen. Alleen ben je zoveel meer bereikbaar voor de anderen want als je samen loopt klets je met elkaar. Ik wil deze wandeling ook heel graag invullen op mijn manier.
Hoe graag ik hem ook mocht en hoe goed we in tempo op elkaar afgestemd waren, de keuze om op dít moment alleen verder te gaan is goed geweest…

Osettai Sunday…

18 juni
Ik strek me uit. Ik heb echt heerlijk geslapen. Boven me zie ik lichte sluierbewolking. Het is half vijf.

Op de rand van de stoep eten we het ontbijt, de poorten van de tempel zijn nog steeds stevig gesloten. Na het ontbijt loop ik weer naar het museum. Het is stil in de straten op deze zondagochtend. Slechts de heldere stemmen van een paar vrouwen verbreken de stilte. Het voelt allemaal zo vredig, zo vriendelijk. De wereld lijkt hier volmaakt. Ik voel hoe de rust zijn weerslag vind bij mij. De wereld van haast en teveel werk is zo ver bij me vandaan. Zou het niet altijd zo moeten zijn?

Als we tegen zeven uur vertrekken is aan niets meer te zien dat wij heerlijk voor de poort van de tempel hebben geslapen.
Tempel eenentachtig is ruim zes kilometer verder. Nog maar acht tempels te gaan. ‘Wat gaat het opeens snel’, zeg ik tegen Arya. Hij knikt, ik zie aan zijn gezicht dat ik ook zijn gedachte uitspreek. Ik weet nog niet of ik moet verlangen naar huis of dat ik de tijd probeer te rekken.

We trekken om de bergen heen. Het echte klimwerk wordt ons zo nog even bespaard. Na ongeveer twee kilometer komen we bij een hut. Hij staat hoog boven het pad tegen de bergwand aangebouwd. Vanuit de hut hebben we een prachtig uitzicht over de stad die we zojuist verlaten hebben.
Ik hang over de leuning van het hek. Mijn ogen gaan over het volgebouwde dal beneden me. Zoveel huizen denk ik. Zoveel gezinnen. Zoveel mensen. Deze stad is slechts een minideeltje van de grote wereld. Wat weet ik van die mensen? Aan de buitenkant zie ik tevreden mensen. Maar zal het hier niet anders zijn dan op welke plek van de wereld ook? Achter deze vriendelijke gezichten hier schuilen ook tranen, woede en pijn.

Ik wend me weer af van het uitzicht en neem plaats op de bank. Ik pak mijn eettas uit mijn rugzak. Ik steek mijn hand keer op keer in de zak met muesli. Het smaakt prima. Van de gember, die ik heb gekregen in de groentewinkel, snijd ik hele dunne plakjes en doe die in de fles met groene thee. Het smaakt heerlijk. Ik grinnik wat als ik denk aan mijn eetgewoonten hier. De bergen brood en bananen die ik naar binnen werk. Zakken gedroogde muesli en de chocolade. Ik probeer elke dag iets van rauwkost te eten. Ik mis mijn fruit. Appels zijn een goudmijntje en in de winkels langs de weg bijna niet te koop. Rijst gaat ook steeds meer een plaats innemen in mijn menu. Het is makkelijk mee te nemen en kan tegen de warmte. Voor nood heb ik de ‘caloriemade’ Een speciaal koekje die je door een dip kan helpen. Snoep! Dat zie ik hier veel en dat krijg ik ook heel vaak toegestopt. Braaf stop ik de kleverige zuurtjes in mijn mond.

We klimmen tot vierhonderd meter. In hetzelfde rustige tempo, die ik gebruikte om de 927 meter hoge berg Unpenji, te beklimmen ga ik omhoog. Het enige verschil is dat ik minder lang onderweg ben. De vogel, die ik zelf de lokvogel noem, laat zich zelden zien maar ik hoor hem elke dag.Opeens hoor én zie ik hem. Stil blijf ik staan. Ik naar het beestje van hooguit tien centimeter. Na zijn lokroep rolt de ene aria na de andere uit zijn trillende keeltje. ik voel me betoverd door zijn zang.

De hoge rechte bomen gaan over in struikgewas. Smalle paatjes met weerszijde het bamboegras. Opeens schuift er een babyslang voor mijn voeten weg. Verrukt kijk ik naar het zwarte beestje, hij is te snel voor een foto. Ik grijp naar de ketting. In gedachte noem ik het al de anti-slangenketting. Ik heb hem niet om…

Even later schuift er een grote bruine slang voor mijn voeten over het pad. Ik voel geen angst! Ik geef het beest de ruimte om over te steken, ik wacht tot hij uit het zicht is. Ik ben verbaasd over mezelf: de paniek is verdwenen…

Als ik bij tempel eenentachtig het terrein oploop staat daar een groep mannen en vrouwen. Één man komt naar me toe. ‘Waar kom je vandaan?’, vraagt hij. ‘Orlanda’, antwoord ik. Er gaat een golf van opgewondenheid door de groep. Ze nodigen me uit om plaats te nemen. Omgeven door die lachenden mensen doe ik mijn rugzak af. Ik weet niet zo goed wat ik er van denken moet. Wat een enthousiasme. Ik hoor ze roepen: ‘Ze komt uit Holland.’ Ik word naar binnen geleid, een stoel wordt naar achter geschoven om plaats te nemen. Ze wijzen naar een Henropelgrim die er al zit. Arya! Omgeven door lachende gezichten. Schaapachtig grinnikt hij wat onder al die belangstelling. ‘Het is ‘osettaizondag’ zegt hij. Op een blaadje worden er lekkere hapjes naar me toegeschoven en thee. Ik mag zelfgemaakte cadeautjes uitzoeken. Onder de ogen van zeker twintig mensen eet ik met een zo’n verrukt mogelijk gezicht van de heerlijke hapjes. Elke keer als ik opkijk zie ik al die lachenden, blije ogen naar me kijken. ‘Het lijkt wel of we iets bijzonders hebben gedaan’, zeg ik tegen Arya.’

Wanneer ik even later de gong luid om mijn komst bij de tempel aan te kondigen denk ik: nog maar zeven keer…
Na de rituelen zoeken we een plaatsje in de schaduw. Al snel ben ik verdiept in het verhaal. Ver kom ik niet, mijn ogen vallen dicht.
De meeste kilometers zijn voor vandaag gelopen. Via het Sanuki Henro Trail, een historisch pad overbruggen we het Goshikidai Plateau. Diepe paden met hoge wanden. De grond is zacht van de jaren opgehoopte bladeren. Kronkelend gaat hij tussen de bomen door. Wat stijgend of juist weer licht dalend. Tempel tweeëntachtig, Negoroji ligt vniet ver van de hut.

Een uur later staan we voor de hut. Een kleine houten woning op palen. Aan de voorkant zie ik een bank. Erachter staan toiletten en een stalen miniaanrecht. Onder de indruk bekijken we ons verblijf voor deze nacht, midden in de natuur. Niet veel later hangen onze schoongewassen kleren in de zon te drogen. Bij het aanrechtje staat een blauwe opgerolde tuinslang. Ik kijk naar de kraan en vervolgens weer naar de opgerolde slang. Ik weet het! ‘Ik ga een douche nemen zeg ik tegen Arya.’ Ik zie hem wat vreemd kijken. ‘Ja,’ vervolg ik, ‘er is een tuinslang en die kan ik aansluiten op de kraan.’ Meer heb ik niet nodig. Even later sta ik achter het huisje en houd de slang hoog boven mijn hoofd. Ik smeer met het zeep tot het als een schuimende laag op mijn huid zit. Met mijn ogen dicht voel ik hoe het koude water het zweet van me afspoelt. Ik krijg er geen genoeg van. Op de achtergrond zingt de lokvogel…

Met een boek ga ik voor het huisje zitten. De zon begint te zakken. Op de achtergrond hoor ik dat Arya ook een douche neemt met de tuinslang. Ik heb het gevoel alsof ik vakantie heb. Als de muskieten komen ga ik naar binnen en schuif onder het laken.

’s Nachts sta ik even buiten, de hemel is bomvol met heldere sterren. De grote beer schittert laag aan de hemel. De tekst van een liedje van Barbara Streisand gaat door me heen:

Looking at the skies I seem to see
A million eyes which ones are yours?
Where are you now that yesterday
Has waved goodbye
And closed its doors?
The night is so much darker;
The wind is so much colder;
The world I see is so much biggen now that I’m alone

Met tranen in mijn ogen ga ik naar binnen. Ik laat ik al die ogen van al die mensen die nu als sterren schitteren aan de hemel, dicht bij elkaar achter..

Shikoku

Pauline en tempel tachtig…

17 juni
Ik denk dat het ontbijt, wat onze gastvrouw voor ons heeft klaargemaakt, de lekkerste is tot nu toe. Voor de lunch geeft ze twee heerlijke rijstballetjes mee.
Staande voor haar huis zwaait ze ons uit, zoals een moeder haar kinderen uitzwaait…

De zon is scherp. Er waait een soort warme steppenwind precies in mijn gezicht. Ik voel de lenzen in mijn ogen droog worden. Snel zet ik mijn zonnebril op.  Niet veel later wikkel ik ook mijn Japanse hoofddoek op mijn hoofd om me verder tegen de zon te beschermen.

Bij de laatste supermarkt die we tegenkomen, voor we de bergen in gaan slaan we een voedselvoorraad in voor twee dagen. Morgen slapen we in de bergen en vanavond bij tempel tachtig? Arya aarzelt nog over morgen maar mijn besluit staat vast. Er is daar een prachtige hut.
Ik moet mijn armen flink aanspannen om de rugzak op te tillen. ‘Oeps!’, roep ik, ‘die zit weer, hij is echt kilo’s zwaarder.’ Meteen loopt het zweet alweer van mijn rug.

Staande voor de winkel stuur ik nog snel een app-je naar huis met de mededeling dat ze mogelijk een paar dagen niets van me zullen horen. Ik grinnik. Geen WiFi? Hier? Bijna onmogelijk. In Japan vind je het overal, er zijn zelfs hotspots bij sommige tempels.

In een rustig tempo lopen we langs de Aya-gowa rivier. Ik heb uitgerekend als ik elke dag vijftien á zeventien kilometer loop ben ik ruimschoots op tijd terug in Tokoshima. Japan en ik hebben zo veel tijd voor elkaa. Ik vind het prettig zo.

Anderhalf uur later staan we voor tempel zevenennegentig, Tennōji.
In mijn ooghoeken zie ik een meisjes lopen met een Europees gezicht. Na afloop van de rituelen zoeken we een schaduwplaats om wat te eten. De enige schaduwplaats die er is en waar je ontspannen kan zitten is daar waar het meisje zit.
Ze zit er wat verloren bij. Ik groet haar als ik bij haar kom. Ze geeft een verlegen glimlachje en kijkt snel weer op haar mobiele telefoon. Onder haar pet zie ik korte roodbruine haren uitpiepen. Haar armen hebben de blanke huid van een roodharige. Aan de huid van haar gezicht kan ik zien dat ze in het verleden veel acne heeft gehad. Als ze me verlegen aankijkt treffen twee lieve donkerbruine ogen me. Ik heb opslag een zwak voor haar. Ze eet op een kinderlijke wijze snoepjes uit een zak. Ze kan niet veel ouder als twintig zijn.

Als ik van het toilet terugkom hoor ik dat ze praat met Arya. Ondanks dat ze verlegen is heeft ze hem toch gevraagd naar zijn wagesa. Die wijkt af van het soort die hier gedragen en verkocht worden. Ik weet dat hij hem heeft meegenomen, het is de wagesa van zijn eigen boeddhistische commune. ‘Waar kom je vandaan’, vraagt Arya nu aan het meisje. ‘Ik kom uit Parijs’, zegt ze.

Ze kijkt hem open aan en vraagt: ‘Waarom loop jij deze pelgrimstocht?’ Met een rustige stem vertelt Arya dat hij Kūkai wil leren kennen. ‘Waarom loop jij deze tocht?’, vraagt hij vervolgens aan haar. Ze is even stil en kijkt voor zich uit. Dan kijkt ze ons aan. In het begin struikelt ze over haar woorden maar allengs wordt ze rustiger. Ik zie de emoties in golven over haar gezicht gaan als ze begint te vertellen. ‘Ik ben een jaar lang depressief geweest’, begint ze. Er volgt een verhaal over de druk van haar ouders om ook te studeren voor ingenieur. Hoe ongelukkig ze zich voelde op school en dat ze uiteindelijk gestopt is. Ze beweegt gracieus met haar fijne vingers terwijl ze praat. ‘Ik las een boek over de pelgrimswandeling op Shikoku en daarna heb ik er een lezing over gevolgd. Toen wist ik wat ik wilde. Hier zit ik nu’, eindigt ze verlegen lachend. Snel kijkt ze weer op haar telefoon. Als ze even opkijkt zie ik tranen in de grote bruine ogen. Ze raakt mijn hart. ‘Is alles goed met je?’, vraag ik zachtjes. Ze knikt. ‘Voel je je eenzaam?’, vraag ik voorzichtig na een paar minuten. ‘Ze veegt met een kinderlijk gebaar over haar ogen. ‘I’m oké’, zegt ze. ‘Wat vonden je ouders van je pelgrimsplannen?’, vraag ik verder. ‘Mijn vader begreep me wel,’ zegt ze, ‘maar mijn moeder was ertegen. Maar,’ snuft ze met een waterig lachje, ‘ze zijn nu trots op me. Ze hadden niet gedacht dat ik het kon. Maar ik wist dat ik wél kon.’ Ik glimlach naar haar. ‘Ik vind je super dapper Pauline’, zeg ik. ‘Waar loopt je vandaag naar toe?’ Als we dezelfde kant opgaan kan ze met ons meelopen. ‘Nee, ik blijf hier slapen’,  antwoord ze.

Als we verder lopen, kijk ik nog eens om. Ze maakt een verloren indruk. Ik moet nog lang aan haar denken. Ik hoop dat ik haar nog een keer ontmoet.

We willen bij tempel tachtig blijven slapen. Er zijn een aantal opties die het mogelijk maken. Een daarvan is kamperen. Als we bij de administratie ernaar vragen is het antwoord duidelijk: ‘Nee!’ Volgens onze informatie moet er echt een kampeermogelijkheid zijn en zelfs niet ver van de ingang. Ik ga de straat op om verder te kijken. Als ik terugkom staat Araya met een monnik te praten. Die weet iets meer. Hij geeft me later een geplastificeerde brief waarop staat dat er inderdaad op de velden naast de tempel gekampeerd mag worden.

Ik loop een rondje over het veld. Het stikt er van de mieren. We kijken elkaar aan, het besluit is genomen. We wachten tot de poort dicht gaat en maken daarna ons bed klaar op de stenen voor de poort. De jonge monnik komt even later bij de poort om twee kinderen weg te brengen. Hij knikt en laat ons gaan. Als ik mijn rugzak open om te eten sla ik een kreet. ‘Jasses’, alles zit vol mieren. Overal zitten de miertjes tussen, ze zijn afgekomen op het zakje zoetstof die niet goed was afgesloten. Ik haal alles uit mijn rugzak. Grommend haal ik echt bergen miertjes overal tussenuit.

Voor ik ga slapen loop ik op mijn gemak naar het museum, driehonderd meter verder. Daar is een toilet die we mogen gebruiken.

Tien minuten later kruip ik in mijn slaapzak. Ik grinnik en zeg tegen Arya: ‘Het is nog geen acht uur. Mijn leven is hier een halve slag gedraaid.
Ik voel hoe de warmte van de stenen optrekt door mijn luchtbed. Langzaam wordt de kolossale toegangspoort uit het jaar 832 opgenomen in het donker. Ik draai op mijn rug en zie de sterren één voor één verschijnen. Voor ik helemaal wegzak in een diepe slaap grijns ik: dit had ik nooit kunnen bedenken slapen op de grond voor de poort van tempel tachtig…

De Japanse fotograaf…

15 juni
Gisteravond was er een aardbeving. Een lichte, 4 op de schaal van rigter. Maar onmiskenbaar. Alles trilde even. Er wordt gezegd dat er vanavond mogelijk weer een komt.

De eerste stralen die de zon over de bergen strekt zijn al bloedheet. Na de korte klim van een paar honderd meter naar tempel eenenzeventig, Iyadaniji is mijn rode shirt al weer kletsnat. Vroeger heette deze tempel: Yakuni-dera. Yakuni-dera betekent acht provincies. Vanaf deze plaats kunnen de acht omliggende provincies worden gezien. Kūkai veranderde de naam in Iyadaniji. Het is een prachtige tempel verspreidt over de bergwand. Bij het hoogste gebouw heb ik een adembenemend uitzicht. In de rotswanden zijn afbeeldingen uitgehouwen. Tempels zijn uitgehakt in de bergwand. Het hele terrein is verbonden met trappen. Onderaan is een grot. Ik zie hem pas als ik wegloop. Even aarzel ik maar besluit toch verder te lopen.

Via een smal pad door een bamboebos kom ik weer in de bewoonde wereld. De tempels liggen dicht bij elkaar vandaag. Na drie kwartier ben ik bij tempel tweeënzeventig, Mandaraji. De zon brandt hier op het terrein, het grint en de granieten stenen zijn bloedheet. Tempel drieenzeventig, Shusshakaji ligt op slechts 600 meter afstand. Ik ben er trots op dat ik op de grenspalen de afstand en het tempel nummers kan lezen. Soms nog met het boekje erbij want een klein afwijkend detail maakt er iets heel andere van.

Deze tempel ligt op een kleine hoogte. Ik laat mijn rugzak beneden bij het bushokje. Terug bij mijn rugzak zak ik op het bankje in het bushokje neer. In de schaduw drink ik van de thee en eet van mijn muesli. Ik heb weer een andere smaak gevonden. Met deze hitte heb ik niet veel eetlust. Verandering van spijs doet eten, is het gezegde. Die pas ik toe.

Ik kijk uit op een veld vol met grafmonumenten. Ik zie hoe een vrouw, helemaal kromgegroeid, begeleidt door jonge mensen bij een monument staat. Zal daar de urn van haar man zijn? Hoe zou het voelen als je weet dat jouw urn, over niet al te lange tijd, daar ook komt te staan? Ik zie haar ze even later zorgzaam in een auto wordt geholpen.

De hitte trilt boven de stenen. De lucht is strak blauw. De enige beweging wordt veroorzaakt door een briesje. Het doet de kleine, stevige, glanzende bladeren van een sinaasappelboom dansen. Bergen omringen deze kleine vallei. Ben ik het echt die hier zit? Op een gammel bankje onder een stukje golfplaat? Deze wereld staat zo ver van mijn dagelijkse leven af. Ik heb wel eens gelezen dat een Henro zich bevind tussen de wereld van de levenden en de doden. Het is bijna eng zoals dat mijn gevoelens van de laatste dagen weergeeft.

Twee bussen passeren me, ze gaan in een straf tempo omhoog. Ze zijn gevuld met Henro’s. De motor bromt zwaar in de lage versnelling. De uitlaat laat een vieze walm achter. Ik sta op en doe mijn rugzak weer op mijn schouders. Ik dek mijn hoofd af met het witte doekje en zet mijn zonnebril op om mijn ogen te beschermen.

Omdat de tempels zo dicht bij elkaar liggen zie ik steeds dezelfde gezichten. We groeten elkaar met een brede lach. Ze willen graag weten waar ik vandaan kom. Als ze me passeren met de auto wordt er heftig gezwaaid. Het geeft een gevoel,van verbondenheid. Zo sluit ik steeds weer korte contacten.

Als ik onderweg ben naar tempel vierenzeventig stopt er een auto. In de auto zitten twee vrouwen en een man. Ik herken ze. Vanmorgen vroeg zag ik ze al bij tempel eenenzeventig. De man maakte daar met een professionele camera veel foto’s. Op zich vond ik dat niet vreemd. Die tempel stond bol van de kunstschatten. De historie is daar zo tastbaar. De vrouw met het korte haar en de man, met een baardje stappen, uit. ‘Mag ik wat vragen,’ begint de vrouw, ‘ik ben een schrijfster. Ik werk voor een tijdschrift. Het komende nummer staat in het teken van de oHenro. Mag de fotograaf je fotograferen? En mag hij je volgen tot tempel vijfenzeventig, Zentsuji?’ Het duurt even voor het tot me doordringt. Foto’s? Magazine? Ze laat me het magazine zien waar ze voor schrijft, het zegt me niets. Het zijn hun open gezichten die me overtuigen van hun oprechtheid. Ik kijk nog eens naar het gezicht van de fotograaf, gespannen kijkt hij me aan. Ik lees daar de hoop op mijn antwoord. Ik lach en denk: waarom niet? ‘Natuurlijk,’ zeg ik, ‘ik vind het prima.’ Ik zie hoe een brede glimlach de spanning doorbreekt op het gezicht van de fotograaf. Het voelt goed, met hem moet ik werken. Ik grinnik: misschien komt het wel door de mooie Japanse wenkbrauwen van Jake dat ze me gevraagd hebben.

Meteen volgt het eerste fotomoment. Ik moet daarvoor een stukje teruglopen. De camera ratelt als ik aan kom lopen. De lach die is er. Als ik zijn sprankelende ogen zie gaat dat vanzelf. Ik vind het eigenlijk super cool! Ze moesten eens weten denk ik, en ik glimlach nu wat ondeugend, ik heb me al twee dagen niet gedoucht. Ik heb van vanmorgen, in de supermarkt,  alleen mijn tanden gepoetst.

Na deze eerste sessie stapt de fotograaf in de auto. Even later zie ik hem weer bij een stoplicht staan. De camera ratelt erop los. We hebben afgesproken dat ik mijn rituelen doe zoals ik het gewend ben. Hij fotografeert elke stap die ik zet. Bij de hoofdtempel lees ik de hartsutra gevolgd door het Onze Vader. Hij doet zijn werk onopvallend, ik vergeet dat hij er is.

Na de rituelen wil de vrouw nog wat vragen stellen. Ik vertel waar ik vandaan kom, waar ik begonnen ben en waarom ik de route loop. Ze noteert mijn website en ik geef haar mijn e-mail adres. De foto’s worden naar me toegestuurd.

Als ze weg zijn kijk ik om me heen. Het complex is hier zo ontzettend groot. Ik weet even niet waar ik ben. Ik pak mijn boekje. Er zijn hier in de omgeving twee daisido’s en een zenkojado.  In één van die drie wil ik slapen. Ik leg de vraag voor aan de vrouw van het stempelkantoor. Ze loop met me mee en wijst het witte gebouw aan op het terrein. Ik stap naar binnen. Voor ik het weet ligt er een rekening van ¥4600 voor me zonder ontbijt of diner. Ik dacht dat het gratis was! Ik ontdek dat ik niet in het zenkojado slaap maar in het shukubō.

Ik heb geen zin in verdere discussies en neem dankbaar de mogelijkheid aan. Ik slaap nu zeer onverwacht op het tempelterrein. Morgenochtend om half zes is de ceremonie. De man brengt me naar een ruime kamer. Hij legt uit waar de onsen is. Als hij weg is kijk ik om me heen. De muren komen op me af. Ik open de gordijnen en gooi het raam met een zwaai open. Als je gewend bent zoveel buiten te zijn is de overgang wel erg groot. Ik pak wat spullen en besluit eerst nog even naar buiten te gaan, er is hier zoveel te zien. Hier is de geboorteplaats van Kūkai. Het is zelfs een voorrecht om hier te kunnen zijn.

Als ik beneden kom staat daar Arya. Wat een verrassing. Hij mag wel in de zenkojado. Wat ik al dacht, er mogen geen twee geslachten in één ruimte. Ik gun hem het voordeel, ik weet dat hij financieel minder sterk staat. Alles valt zo goed op zijn plaats. Samen eten we onze maaltijd. Daarna loop ik naar mijn slaapplaats in de tempel.,

Ik heb de onsen helemaal voor me alleen. Ik kijk naar mijn benen en armen. Er waren veel muskieten in het bamboebos. Ze hebben me flink geprikt. In de hoek van het bad borrelt er steeds vers water uit de bron. Lang uitgestrekt lig ik in het hete water en laat mijn gedachten met het hete water wegdrijven…

 

Jake en mijn wenkbrauwen…

14 juni
De bank was rond in mijn hut en mijn luchtbed is recht. Een lastige slaapcombinatie. Gelukkig ben ik er vannacht niet vanaf gevallen.

Als je buiten slaapt word je wakker als de zon opkomt. Half vijf is het licht. Op deze manier heb ik een lange dag en kunnen er afstanden worden afgelegd met veel pauzes. Ik heb dus alle tijd. Dat is wat ik denk als ik op straat loop.

Als ik een slaapplaats uitzoek kijk ik altijd of er een Lawson, een Famimart of een seven-eleven in de buurt is. Deze zijn vierentwintig uur per dag open. Op Shikoku stikt het ervan. Als er niets is moet ik zorgen dat ik genoeg eten in mijn rugzak heb tot de volgende dag. Hier zit een Famimart op precies vier minuten afstand. Dat bespaarde me gister veel sjouwen. Voor ik naar mijn hut ging kocht ik er een lekker koud biertje, het geelwitte blikje vind ik de lekkerste. 

Een blikjesmachine in de buurt is handig, zeker als ik een leeg blikje nodig heb om in te koken. De sinaasappel-grapefruit is hiervoor het beste geschikt. Die smaak vind ik ook de lekkerste. De laatste tijd bewaar ik het lege blikje in een sandaal, het past er precies in. Dat bespaart me verplicht een blikje leeg te moeten drinken om erin te kunnen koken.

Japanners drinken uit de automaten. Veel restaurantjes en koffiecafe’s zijn gesloten. Ligt hier een van de oorzaken? De enkele keer dat ik ergens naar binnen stapte betaalde ik ¥400 voor een kopje koffie. Een blikje kost ¥130. Coca Cola heeft een flinke vinger in de pap.

Met die lange dag in mijn achterhoofd ga ik eerst naar de Famimart. Ik koop koffie en een broodje. Voor de winkel ga ik op de grond zitten. Ik heb ontdekt dat er ook stopcontacten buiten zijn. Nu kan ik schrijven en opladen gelijk.

Tegenover de plaats waar ik zit is een school. Drie oudere mannen en een politieagent staan op het kruispunt voor de school. Ze zorgen dat de kinderen veilig kunnen oversteken. Het gaat er vrolijk aan toe. De kinderen gaan lopend naar school. Ze zien er keurig uit. Op een donkerblauwe rok, en de jongens een korte broek, dragen ze een spierwit bloesje. Keurige witte sokjes in de schoenen. De jongens dragen een zwarte rugtas en de meisjes een rode. Op hun hoofd dragen de meisjes gele hoedjes en de jongens een gele pet. Elk kind roept, als ze de ‘klaar-overs’ naderen, heel vrolijk een ‘Ohayo Kozaimasu’ toe. Als ze het vergeten worden ze er vriendelijk aan herinnerd door de mannen.
De meeste pret heb ik om de politieman. Een rondbuikig type in een soort politietuinbroek. Op zijn hoofd een witte helm en in zijn mond een fluit. Hij laat duidelijk aan de klaar-overs merken dat hij een belangrijker functie heeft. Als er al een auto komt blaast hij met veel bombarie op zijn fluit en laat de auto met dwingende hand stoppen.

Na een uurtje sta ik op. Het is nog ongeveer drie kilometer naar de tempel. Als ik de Saita rivier weer ben overgestoken ga ik naar rechts. Aan de overkant van de weg is een restaurant en een blikjesautomaat. De ochtendzon is nog heerlijk en er waait een koel briesje. Ik doe mijn rugzak af. Een korte pauze kan nog wel vind ik. Even genieten van de vroege dag met een blikje koude koffie. Een magere vrouw in een spijkerbroek passeert me. Ze groet vriendelijk. Ze gaat het restaurant in. Vijf minuten later komt ze weer naar buiten. Ze heeft eens tasje in haar hand. Ze buigt en overhandigt me het tasje. ‘Osettai’, zeg ze. Ik kijk haar aan, opeens komen de tranen in mijn ogen, ik kan geen woord uitbrengen. Als ze weg is zie ik dat er twee typisch Japanse zoete, zachte bolletjes in zitten. Ik weet dat ze lekker zijn, en duur! Ik veeg de tranen weg, ik huil tegenwoordig om niets. De tempelwandeling heeft elk stoer schilletje van me weggehaald.

Via een dijkje loop ik naar tempel zeventig, Motoyamaji. Het is er stil. Rustig trek ik mijn Henrokleren aan en doe de rituelen. Als ik weer terugloop naar mijn rugzak komt er een man naar me toe. Hij buigt en steekt mij een hand toe. Als ik die aanneem zit er ¥1000 in. Waarom denk ik. Waarom krijg ik weer zo’n grote gift. Ik bedank hem en buig. Ik huil. Weer! Er is niets meer van mijn stoerheid overgebleven.

Elk prefectuur heeft iets specifieks lijkt wel. In grote lijnen zijn de huizen hetzelfde zowel de oude als de nieuwe. Maar in dit prefectuur hebben de huizen meer kleurige details. Ik zie blauw en groene en ook witte versieringen. De oude Japanse huizen zijn hier hoger, veel donker hout over de leemwanden. Bij de laatste tempel was de omringende muur geverfd in een bijna lavendelachtige tint. Het contrasteerde prachtig met de oude gebouwen. De sierlijke daken kwamen nog beter tot hun recht.

Halverwege de afstand verlaat ik de dorpjes. Ik zoek de autoweg op om mijn mail te checken en om thuis te vertellen waar ik slaap. Aan de over kant zie ik een kapper. ‘Jake-Cut and eyelashes’. Vooral dat laatste woord trekt me. Het zet me aan het denken. Elke keer als ik in de spiegel kijk zie ik dat mijn wenkbrauwen witter worden. Gelukkig zie ik weinig spiegels want het stoort me behoorlijk. Ik grinnik om mezelf. Ik kan me rustig drie dagen niet douchen en soms wel vier dagen in dezelfde broek lopen maar ik stoor me aan mijn wenkbrauwen! Ik loop de zaak van Jake voorbij. Tien stappen verder sta ik stil. Ik aarzel. Ik loop weer verder. ‘Waarom eigenlijk niet?’, zeg ik. Mijn ijdelheid begint een discussie met mijn Henroschap. ‘Waarom moet ik juist met die gekke witte wenkbrauwen lopen?’ De Henro in me heeft eigenlijk geen goed antwoord. Ik laat mijn ijdelheid beslissen. Ik keer me om en steek de weg over.

Er komt een heerlijke vrouwelijke uitdaging in me boven. Eens kijken of ik Jake’ mijn wens kan uitleggen. Een knul komt naar me toe. Jake? Geen idee. Ik wijs naar mijn witte wenkbrauwen. Hij snapt er niets van. In dezelfde ruimte zit ook een meisje, zij is kunstwimpers aan het aanbrengen bij een klant. Ik loop naar haar toe. Ik zie onmiddellijk dat haar bruine wenkbrauwen niet Japans zijn. Ik wijs naar de mijne en dan naar de hare en zeg slechts: ‘Black!’ Ze begrijpt me meteen. Handig vrouwen onder elkaar, mannen missen hier duidelijk een genetisch deeltje. Over een uur hebben ze tijd. Ik lach en knik. Ik ga dat uurtje naar de Lawson, die is schuin aan de overkant.

Een uur later staat mijn rugzak en Kōbō Daishi in een hoek van de schoonheidssalon. Jake staat lachend op mij te wachten. Ik heb, bij Lawson voor de zekerheid in het Japans opgezocht wat ik precies wil. Ik laat het aan hem lezen. Hij knikt en lacht. Ik ga in de stoel zitten. Wat kan er fout gaan?, redeneer ik. Ik kan hooguit met geblondeerde wenkbrauwen buiten komen. Jake roert in een schaaltje. Ik krijg keurig een handdoek om mijn hals en een kapperscape word om me heen gevleidt. Met precieze bewegingen smeert hij het witte spul op mijn wenkbrauwen. Even krijg ik het benauwd. Worden ze gebleekt? Bij Bo gaat het altijd heel anders. Als alle haartjes bewerkt zijn worden er vloeipapiertjes opgelegd. Dat ziet er gek uit, als ik mijn wenkbrauwen optil komen de vloeipapiertjes in beweging. Ik kan wel in een circus. Jake komt met ijskoffie.  Wauw, alleen daar zou je het al voor doen.

Hij is nieuwsgierig en begint te vragen. Hij heeft op zijn eigen mobiel de vraag opgezocht. ‘Watashi Orlanda’, zeg ik. ‘Amsterdam?’ Is zijn volgende éénwoord vraag. ‘Hai’, antwoord ik. Zal ik de tulpen nog even laten bloeien, denk ik. Of een houten klomp in het verhaal gooien? Misschien kan ik beter de molens laten draaien. Ik besluit het bij Amsterdam te laten, ik woon er tenslotte slechts veertig kilometer vanaf. Één flinke dag stevig wandelen. Jake heeft zijn volgende vraag klaar. ‘Ohenro?’
‘Hai’, antwoord ik, ‘watashi oHenro Veronica san.’ Ik leg uit dat ik de ronde in één keer doe. Ik zie bewondering in zijn ogen. Ondertussen geniet ik van die heerlijke koude koffie. Met een geruststellend gevoel zie ik dat het witte spul mijn wenkbrauwen omtovert tot donkere.

De inwerktijd is verstreken. Met voorzichtige, bijna tedere, bewegingen haalt Jake het spul eraf. Ik glim van oor tot oor. Mijn wenkbrauwen zijn weer donker. Even vraag ik me af wie er hier meer blij is met het resultaat. Jake of ik. Hij glundert alsof hij zojuist een wonder heeft verricht.

Ik laat het resultaat zien aan het meisje dat nog steeds wimpers aan het aanbrengen is, bij nog steeds dezelfde klant. Ik denk even aan mijn eigen wimpers, die kunnen best wel wat extra haartjes gebruiken. Ik beloof mezelf dat als ik ooit weer in Japan kom ik ze aan laat brengen. Ik wijs naar het resultaat. Ze knikt glimlachend achter haar mondkapje. We zijn even vrouwen onder elkaar Ze wist precies wat er in me leefde.

Stralend begin ik aan de laatste kilometers. Ik laat mijn haar vrouwelijk wapperen in de wind. Daaronder glanzen de, door Jake gecreëerde, prachtige wenkbrauwen.

Als ik een Japanse ‘Dapper en Harder’ passeer stop ik. Mijn ogen glijden over de sierlijke kaarsstandaarden in de etalage. Ik duw zonder nadenken de deur open. Mijn enige vraag is of ik hier kan betalen met mijn VISA. Ik leg uit dat ik een kaarsstandaard wil kopen voor het graf van mijn ouders.
Vorig jaar gaf mijn moeder ieder van ons vakantiegeld. Ik had haar verteld waar ik het voor wilde gebruiken. In gedachte zag ik al voor me hoe we dan naderhand deze reis, samen, opnieuw zouden beleven door mijn verhalen. De meisjes voelen mijn emotie. Ze zetten een kopje thee klaar en pakken het pakketje zorgvuldig in. Ze doen er een handvol gekleurde kaarsjes en lucifers bij. ‘Osettai’, zeggen ze. Osettai, deze keer voor mijn ouders…
Ik huil voor de zoveelste keer vandaag.

Dat de tijd door mijn vingers is geglipt maakt me niet meer uit.
Ik moet nog steeds vier kilometer lopen. Het interesseert me niet, het is nog lang niet  donker, de zon schijnt.

Mijn rugzak is zeker met bijna een kilo verzwaard. Hij voelt lichter als ooit. Met liefde draag ik het deze laatste weken met me mee…

 

 

Het hoogste punt gepasseerd…

12 juni
Ik heb het koud. Mijn voeten zijn verkleumd. Na de tweede val ben ik eindelijk in slaap gevallen. Als ik mijn ogen open zie ik Arya verzonken in zijn meditatie. Een rustgevend beeld waarvan ik, zonder dat ik er daadwerkelijk aan mee doe, het effect er wel van voel.

Na de meditatie sta ik snel op. Ik pak het eerste stel sokken die ik zie, de vuile dus. Vervolgens trek ik drie lagen shirtjes over elkaar en hou mijn legging aan onder mijn korte broek. Tenslotte sluit ik mijn vest tot onder mijn kin en doe de buff om mijn hals. Ik grinnik. Het went snel. Niet douchen, smerige kleding. Ik begin het buiten slapen ook steeds prettiger te vinden.

Genietend kijk ik naar de rijstvelden naast de hut. Ik zie de bewoners naar hun akkers lopen. De kikkers zijn gestopt met kwaken maar de vrachtauto’ s denderen onveranderd langs de hut. ‘De grijze wolken lijken wel iets lichter te worden’, zeg ik tegen Arya. Hij kijkt. Knikt. Lijkt niet overtuigd.

Ik inventariseer mijn eten. Maak verdelingen voor de dag en mogelijk voor een ontbijt morgen. Ik heb gister niet duidelijk aangegeven bij het meisje van de Lawson dat ik graag ‘sudomari desu’ wilde. Voor ik de kerstversiering afbreek eet ik in de beschutting mijn brood met chocola, een slok groene thee maakt het kompleet.

Voorzichtig verwijder ik de ducktape van de folie. Het is echt wonderspul. Het weegt niets is meterslang en vooral: het is beresterk! Netjes opgerold gaat het terug in de rugzak. Ik hang de ketting van Fia om mijn hals. Of het nu wel of niet waar is, ik heb het gevoel dat het me beschermt tegen slangen.

Het is de eerste keer dat ik de ochtend koud vind. Zestien graden. Maar  geen kilometer verder gaat het eerste kledingstuk al weer uit. Als we de tunnel gepasseerd zijn loop ik weer in mijn standaard uitrusting, korte broek en een hempje.

Kort na de tunnel begint de klim. Ik heb de afgelopen weken iets geleerd van de Japanners. Rust! Rustig lopen. Kleine stappen, je komt er altijd… ‘Ik moeten vrienden worden met de berg,’ zeg ik tegen Arya. ‘Angst en verzet vreten energie. Die kan ik nu niet missen.’ Hij knikt slechts. De zware dag van gister is een aanslag geweest op zijn voeten.

Rustig zet ik de eerste stap. Voet voor voet. Ik zet mijn hielen stevig neer. Ik voel de kuitspieren spannen want het eerste stuk gaat in bijna negentig graden omhoog. Na de eerste bocht zegt Arya met een grijns: ‘Zo, dat is de eerste meter.’
Het gaat goed, nauwlettend zorg ik dat ik kleine stapjes neem. Zorg ik dat het lopen me niet uitput. Mijn conditie is stukken verbeterd vergeleken met de laatste klim. Ik voel me blij. De rugzak voelt niet zwaar en dat zegt iets over mijn mentale conditie.

We hebben uitgerekend dat we drie uur nodig hebben om boven te komen. Voor iemand, zoals ik, die graag snel is, is dat nog de grootste opgave. Drie uur stap voor stap. Onder het lopen praten we wat. We praten over muziek. Arya heeft vroeger in een band gespeeld op de drums en hij kan een beetje gitaar spelen. Ik vertel over de saxofoon en het beetje pianospel wat ik beheers. Al pratende gaat de tijd ook sneller. Na een uur nemen we een pauze. Ik kijk eerst of ik geen slangen zie, helemaal rustig zit ik niet. Ik eet en drink wat. Zwijgend kijken we tussen de hoge rechte bomen door naar beneden, ieder diep verzonken in zijn eigen gedachten.

Na de pauze gaan we het tweede uur in. Het valt me zo mee. Niets van mijn angstige ideeën die ik had vind ik hier terug. Asfalt, wordt zachte bosgrond. Traptreden worden wortels en stenen. Het wisselt steeds af. Soms stijgt het heel sterk Een andere keer is het meer glooiend. Ik voel me licht als een veertje.
Bij de tweede pauze zijn we op 700 meter. Af en toe staan de bomen wat meer uit elkaar en laten een beetje van het dal zien. We lopen al boven de eerste bergen!

Het zachte bospad gaat over in een weg. Voor ik het weet zie ik de eerste gebouwen van tempel zesenzestig, Unpenji. Na de laatste bocht sta ik stil. Ik kijk naar de tempel, die voor me ligt. Ik ben geklommen naar 900 meter. De klus waar ik zo tegenop zag is gedaan. We lachen en kijken elkaar trots aan. Mount Unpenji bedwongen!

Als ik het Onze Vader zonder geluid zing, voel ik de tranen over mijn wangen glijden. Het is vandaag ook de trouwdag van mijn ouders. Wat een bijzondere dag.
Na de rituelen loop ik naar de tuin, het staat hier vol met levensechte betonnen beelden.

De tempel wordt schoongemaakt door vier vrouwen. Kwebbelend poetsen en vegen ze. Een van de vrouwen, ze komt net tot mijn schouder, komt naar ons toe. Haar ogen twinkelen door haar bril. Op haar vraag vertellen we waar we vandaan komen. De vrouw raakt me steeds aan. Ze pakt mijn hand en steekt haar arm door de mijne. Het lijkt af en toe meer op knuffelen. Ik heb dit nog niet eerder hier zo meegemaakt.

Op een tuinbank eten we de meegebrachte lunch. Daarna ga ik languit liggen. Boven is het minder heet maar de zon strooit haar behaaglijke warmte uit. Ik laat me meevoeren op de stralen. Er is iets in me veranderd. Ik voel, terwijl ik zo ontspannen lig, me ver van de andere wereld. Ik voel me nergens…

Voor we afdalen wil ik die lieve vrouw nog even groeten, ik schrijf een naam briefje voor haar. Ze heeft dezelfde gedachte gehad. Ze staat ons op te wachten. Weer houdt ze me stevig vast en drukt een tas met snoep, koek, drinken en een kleedje in mijn hand. Osettai!
Dankbaar kijkt ze naar de naambriefjes die we geven. Ze trekt me mee, ze wil mijn naam graag opschrijven in de Japanse symbolen. Dan fluistert ze in mijn oor dat ze tweeëntachtig is, ik mag het tegen niemand zeggen. Ik zeg heel zachtjes dat ik eenenzestig ben. We giechelen als twee jonge meiden. Ik laat haar de foto zien van Fleur en Sarah. Vertederd kijkt ze naar de blonde hoofdjes, even strijkt ze met haar hand over het beeld. Ik vind het moeilijk om me van dit mooie moment los te maken.
Ik heb veel Japanse mensen ontmoet in de afgelopen tijd, ik heb veel mooie contacten gehad. Maar dit waren intieme momentjes. Ik koester ze…

We dwalen nog even door de beeldentuin en maken nog wat malle foto’s.
Het pad stijgt eerst nog door tot 927 meter. In de winter wordt hier geskied! Maar dan wordt de afdaling ingezet. In een keer zonder vlakke stukken. Het slingert naar beneden. Ik geniet van de diepe, uitgeholde paden. In de tweede helft wordt het diepe groen vermengt met de hortensia’s. Ze kleuren het bos prachtig blauw.
Al afdalende denk ik opeens aan Catherine uit North Carolina. Ik vertel Arya over de ontmoeting met haar, vier jaar terug., hoe ze mijn hart toen gestolen heeft. Hij vertelt kort iets over zijn toetreding tot de Boeddhistische commune.

De moeheid begint bij ons toe te slaan. Mijn knieën worden moe, er volgen misstappen. We praten niet meer, alle aandacht is bij de voeten en de ongelijke stukken rots.

Om half vijf komen we bij de Minshuku waar ik gereserveerd het. Arya hoopt dat hij ook kan blijven. Nog één uur lopen en zonder bescherming slapen op een parkeerterrein zijn opeens niet zo aantrekkelijk meer.

Schoongewassen kruip ik even later In mijn kimono aan tafel. Met smaak eet ik de kleine hapjes  het eten uit de schaaltjes met traditionele gerechten. Ik grinnik.Er is echt iets wezenlijks bij me veranderd. Een klein glaasje zelfgemaakte pruimenwijn maakt het af…

Een Kersthuis langs de autoweg…

11 juni
Om vijf uur zit ik rechtop. Bewolkt! ‘Het gaat regenen,’ zegt Tailer. Ik kijk eens tersluiks naar hem. De uitdrukking op zijn gezicht laat de grijze wolken zien. Hij knikt nog eens heel overtuigend, ik wil dit eigenlijk helemaal niet horen. Elke stap die ik droog kan zetten is meegenomen, zo redeneer ik. Tailer verlaat al snel de hut. Hij wil pas stoppen bij tempel 67.

Om half zeven loop ik op straat, vandaag loop ik deel twee van mijn zelf bedachte afstandsplan. Maar eerst zoek ik een winkel waar ik mij telefoon kan opladen want vannacht slaap ik weer in een hut. ‘Hut nummer 37 Hichida’, staat er in mijn boekje. In deze winkel wil ik ook aan de bediende vragen of hij voor me wil reserveren bij de Minshuku voor morgenavond.

Vlak boven de vloer, naast het toilet, zie ik een stopcontact. Ik plug mijn telefoon erin. Daarna loop ik de winkel in. Ik koop een broodje en een bak yoghurt. Terwijl de telefoon oplaadt ga ik op de stoep voor de winkel zitten. Ik drink mijn vruchtenyoghurt en eet van mijn croissant met chocola.
Als ik de laatste kruimel in mijn mond gestopt heb veeg ik met mijn hand mijn mond af. Uit mijn rugzak pak ik nu het toiletzakje.

Met schone tanden en een frisse smaak in mijn mond begin aan de volgende stap van mijn plan. Ik loop naar de jongen achter de kassa. Ik glimlach hem eerst eens, met mijn stralende witte tanden, toe. Vervolgens leg ik hem, met behulp van mijn boekje, uit wat ik van hem wil. Hij moet voor mij een slaapplaats reserveren!
Zijn mond valt net niet open, hij krijgt blijkbaar niet vaak zo’n vraag. Ik zie zijn onmacht weerspiegeld op zijn gezicht. Ik weet het antwoord al…

Ik trek de telefoon uit het stopcontact en verlaat na een vriendelijk ‘Arigato’, de winkel. Lawson, slechts een tiental meters verder, wordt mijn laatste kans en anders zal ik het zelf moeten doen.

Ik pas dezelfde strategie toe. Mijn schone tanden werken hier beter. Het meisje straalt bij de opdracht die ze van me krijgt. Een opgestoken duim tijdens het telefoongesprek laat me zien dat dit deel van het plan geslaagd is. Ik maak een foto van haar stralende gezicht en verlaat neuriënd de winkel. Alles loopt gesmeerd.
Het opzoeken van de route iets minder. Ik snap soms echt niet waarom ik een pijl over het hoofd ziet. Als zelfs mijn richtinggevoel, hand in hand met Maps.me, aarzelt weet ik genoeg. Ik moet terug. Met verbazing zie ik hoe ik niet één keer maar keer op keer heel wat rode aanwijzingen niet heb gezien

Tailer heeft nog geen gelijk gekregen, dat bevalt me prima. Wel is de lucht zwaar van de wolken. Het dal ligt verstopt in de mist, of is het smog? De Seto Inland zee is opgenomen in de grijze massa.
Ook al schijnt de zon niet, de lucht voelt zwaar en de warmte is onveranderd. Stap voor stap ga ik omhoog naar tempel vijfenzestig, Sankakuji.

Er hangt een stille, bijna serene sfeer tussen de huizen die op enige afstand met hun rug tegen de bergwand staan. Er dringt geen enkel geluid van beneden door de witte laag heen. Zonder dat ik ze zie hoor ik heldere vrouwenstemmen tussen de bergwanden weerklinken. De vrouwen praten hier vaak met een hoge, beetje kinderlijke stem. Hier klinkt het zelfs wat venijnig. Ik luister een tijdje, maar kreeg geen hoogte van de stemming in het gesprek. Net zoals de benen van de vrouwen. Bijna alle vrouwen, zeker van de geboortejaren rond 1920-1930, hebben o-benen. Behoorlijk zelfs. Bij mannen komt het nagenoeg niet voor. Genetisch?

De bomen groeien bovenop de stenen rotsen. Ze hebben zich stevig verankerd. De wortels van de bomen liggen als dikke tentakels om de rotsen. Als een inktvis die zijn prooi vastklemt. Naarmate ik hoger kom neemt het geruis van de beekjes toe.
Ik voel de kracht van mijn spieren. Voorzichtig voel ik hoe het genieten steeds meer voorop komt te staan.

Het is weer een zondag. Thuis lijkt ver…

Bij tempel vijfenzestig is het rustig. Ik neem alle tijd. Ik zet mijn spullen in de aanwezige rusthut. Als ik de rituelen heb gedaan ga ik met mijn stempelboek naar het kantoor. Tevreden zie ik hoe er weer mooie rode stempels in worden gezet. Drie schuin onder elkaar. Daar overheen een tekst in kalligrafie letters die ik niet kan lezen.
In de hut die daar staat ga ik zitten. Ik pak mijn iPad. Af en toe kijk ik op, mijn ogen verslinden de vredige omgeving. Uit de automaat neem ik een blikje thee en al nippende lees ik verder in mijn boek. Na een uurtje wandel ik weer verder aan mijn zeventien kilometer.

Ongeveer vijf kilometer verder kom ik weer een hut tegen. De banken zijn breed, de plaats is mooi. Ik aarzel! Ik schud met mijn hoofd, ik moet me aan mijn plan houden. Nog geen honderd meter mag ik iets uit een koelkast nemen. Ik halveer de sinaasappel, de andere helft is voor de volgende Henro.

Het wordt wat frisser, er waait een windje door het dal. De wolken hangen nog steeds dreigend… Van verre zie ik de hut Hichida. Hij staat naast de drukke autoweg waar vrachtwagens overheen razen, de een na de ander. Het verandert mijn plan niet.

De wind uit het dal waait dwars door de hut. Vertwijfeld kijk ik rond. Ook al is het maar voor een paar uur. Iets comfortabeler is toch wel fijn. Mijn creatieve brein werkt op volle toeren. Ik open mijn rugzak en pak het bubbeltjes plastic en de ducktape. De bezem van de hut krijgt een andere bestemming. Zo maak ik de houten wand wat hoger.
Als ik een tijdje zit ben ik nog niet tevreden, het kan nog beter. Nu moet een plastic tasje eraan geloven. Meer tevreden kijk ik naar het resultaat. De dozen die onder de bank staan haal ik nu tevoorschijn. Met een glimlach houd ik een kimono omhoog. Mmm, mocht het nog kouder worden dan kan ik die over alles aantrekken. Maar de mooiste vondst is een gewatteerde deken. Verheugd leg ik die op de bank, ik kan hem om mijn benen wikkelen, ik kan erop zitten. Een scala aan mogelijkheden dienen zich aan. De dozen zet ik onder de bank waar de wind onderdoor jaagt. Ik knik tevreden. Mijn rugzak mag de laatste wind weghouden. Het werkt, het wordt behaaglijker. De muskieten genieten met me mee!

Bezorgd kijk ik naar de regenwolken die boven de bergen hangen. Als er flink water uitkomt kon dit alles wel eens niet genoeg zijn. Opeens lichten mijn ogen op. Onderuit mijn rugzak pak ik nu de nooddeken. Superlicht. Hij heeft warmtewerende en warmtevasthoudende eigenschappen. Ik moet kiezen voor een goud of zilverkleurig binnenwand in mijn hut. Ik kies voor goud. Samen met de ducktape verhoog ik de windkering. Het lijkt alsof ik kerstversiering aanbreng. Terwijl ik zo bezig ben zie ik een Henropelgrim komen. Hij lacht naar me… Ik ken die grijns. Arya! De laatste persoon die ik vandaag had verwacht. Vermoeid valt hij op de bank neer. ‘Ik wist dat je hier zou zijn’, zegt hij en glimlacht door zijn vermoeidheid heen. ‘Je zou toch bij de tempel blijven?’ vraag ik. Arya schudt met zijn hoofd. ‘Ik kon niet blijven,’ antwoordt hij.
Wat vind je van mijn kerstwoning? Vraag ik trots. ‘It’s enormous’, grinnikt hij.
We verdelen de beperkte ruimte. Ik neem de bank en hij de vloer om te slapen.

Ik knutsel een kookstelletje in elkaar en al snel drinken we genietend van de chocolademelk uit zijn rugzak en van de koffie uit mijn rugzak. Het voelt als vroeger, toen ik in mijn zelfgebouwde hut zat te dromen. Ik hoef nu niet te dromen. Ik loop in Japan! De 88 tempel route kwam op mijn weg. Ik heb geluisterd naar mijn gevoel en hier zit ik: in een hut op Shikoku. Dat Arya hier weer zit? It wass meant to be…
Ik eet van mijn bakje rauwkost en hap uit een bolletje rijst. We eten samen van de bima die Arya heeft meegenomen.

Als de laatste hap is doorgeslikt wordt het tijd om de slaapplaatsen in te richten, het wordt donker. Met al mijn kleren aan stap ik in de slaapzak. Het luchtbed is breder als de bank en glijdt heen en weer op de dikke deken. Als ik net lig val ik met een klap van de bank. Ik voel hoe een kriebel omhoog komt wat overgaat in een luide schaterlach om dit lachwekkende tafereel. Arya kijkt bezorgd. ‘Ik mankeer niets,’ zeg ik, maar de dikke deken moet eronderuit.’ Opnieuw kruip ik onder de klamboe. Ik kan me niet omdraaien. Ik voel hoe het luchtbed toch weer wat schuift. Als ik heel stil lig moet het lukken, denk ik. Keer op keer schuif ik alles terug. Ik doe mijn yogaoefeningen om op mijn rug in slaap te vallen. De maan is al flink op weg als het lukt!

Meteen volgt er wéér een klap. Ik vind mezelf op de grond terug. ‘Oeioeioei’, is mijn enige reactie. Maar ik heb genoeg van die bank. Arya tilt bezorgd zijn hoofd op uit de slaapzak. ‘Schuif maar op,’ zeg ik, ik kom naast je liggen.’ Ik trek mijn één hand het muskietennet over mijn hoofd. Ik glimlach naar de maan. Wat is het leven mooi. Wat fijn dat ik morgen niet alleen ben…