Kathmandu. De handlezer.

18 mei. In één ruk heb ik geslapen tot vanmorgen. Het douchewater is weer vertrouwd lauw eigenlijk gewoon koud. Ik zit vol energie en heb zin in de dag.

Buiten is het hectische leven van Kathmandu al volop aanwezig. Het geluid van toeterende auto’s en scooters komt door de open deur naar binnen. Ik eet braaf van mijn brood met jam en drink de melkthee. Ik heb om half negen afgesproken met Binisha.

Met een taxi vertrekken we naar Pashupatinath, een heilige Hindoe tempel op de oever van de Bagmati rivier. Meteen al bij binnenkomst mag ik met een stuk bamboe het vuur in een tiental bakjes, die opgesteld staat in een cirkel, doen oplaaien terwijl ik: ‘Om na sibat’. zeg. Ik heb eigenlijk geen idee eigenlijk wat ik zeg, misschien spreek ik wel een vloek uit over mezelf.

Op deze heilige grond mag je niet op schoenen lopen. Ik buk me om mijn sandalen uit te doen ik wil alles zoveel mogelijk beleven en als ik de stenen onder mijn voeten voel zal die belevenis alleen maar intenser zijn. Binisha roept me: ‘Niet je schoenen uitdoen zegt ze, het kan ook met schoenen.’ Ik antwoord: ‘Dit is heilige grond voor de hindoes ik wil niemand krenken.’ Ze blijft bij haar besluit. Zo ook over mijn broek. In mijn tas heb ik een rok en een zwart shirtje, ze wil niet dat ik die aandoe. Waarom? Ik leg me erbij neer.

Net als alle anderen maken wij ook een selfie van ons beiden voor we echt naar binnen gaan. In Binisha heb ik een geweldig maatje, ze weet precies wat ik graag wil zien maar vooral hoe ik het wil beleven. Ondertussen beantwoord ze al mijn vragen. Ze legt me uit dat de afbeeldingen die ik boven de ingang zie de drie belangrijkste goden van de Hindoes zijn: Brahma, Shiva en Vishnoe.

Het is hier een heerlijke chaos. De hete zon, de geur van wierook, en al die Hindoes in hun prachtige gekleurde gewaden. Het is ook alles goud wat er blinkt, de handen vol gouden ringen, meerdere oorversieringen en dan heb ik het nog niet tover de halskettingen en armbanden. De voorhoofden zijn uitbundig versierd met rode en witte stippen maar ik zie ook gele strepen en bij sommigen lijkt het net of ze ook rode rijstkorrels op hun voorhoofd hebben. In hun handen dragen ze bakjes met gaven voor de goden in de vorm van verse bloemen en rijst. Ik snuif diep de geur op van dit prachtige maar ook krachtige geheel. Al mijn zintuigen staan op scherp.

Ik denk opeens aan Geyrjen. In een winkelstraat passeerden we een juwelier. Gekscherend zei ik,en wees op een kolossale hanger van zilver tot diep in het decolleté , die vind ik prachtig. Guyjen keek heel serieus naar de hanger en zei trots:’ Zo een heb ik aan mijn vrouw gegeven maar dan voor goud.’ Ik keek even opzij naar zijn gezicht en zag dat dit voor hem heel serieus was. Je vrouw overlaad je, omdat je van haar houdt, met sieraden. Maar zeker weten iwas dit ook een stukje status-symbool.  Mijn blik ging toen naar Sujen, geen vriendin, geen vast inkomen, het raakte me. Ik voelde meer als anders het kaste verschil.

Als snel zie ik de eerste “heilige man”. Deze mannen hebben de eerste drie hindoeïstische levensdoelen opgegeven, plezier, rijkdom en handelen. Ze hebben zich volledig gewijd aan de spiritualiteit. Men zegt dat de grijze kleur waar ze zich mee insmeren de as is van een overledene. Dat laatste laat ik maar even voor wat het is. Als ik dichterbij kom wijst hij een plaats aan zodat Binisha een foto kan maken. Onverstoorbaar zit hij daar in kleermakerszit. Hij ziet er gewoon griezelig uit, zijn haren hangen in lange dreadlocks om zijn hoofd. Als ik naast hem zit zie ik hoe zijn donkere kraal-ogen achter de lange gekrulde wimpers de omgeving scherp in de gaten houden. Maar ik ben geen cent beter want zo onopvallend mogelijk bestudeer ik ook heel nieuwsgierig elk detail van hem, want wanneer zit ik ooit weer zo dicht bij een “heilige man”. Waarachtig hij steekt heel werelds een hand op als Binisha de foto maakt. Voor ik wegga drukt hij tot tweemaal aan toe wat van die grijze as op mijn voorhoofd. Ik wil niet denken aan wat er gezegd wordt over die as.

Mijn dag kan nu al niet meer stuk. Even verder zit er weer een, in een kleine ruimte. Ik ben niet te verzadigen. Ik mag naar binnen maar ik moet hier mijn schoenen uitdoen. Op blote voeten loop ik de paar stappen naar binnen en ga op de aangewezen plaats zitten.Deze “heilige man” heeft een prachtig beschilderd gelaat. Zijn dreadlocks zijn hoog op zijn hoofd gedraaid. Hij kijkt even heel snel in de camera en schermt zich daarna weer volledig af van enig contact en doet alsof ik lucht ben. Ook al ziet deze er minder eng uit zijn gedrag is hautain op het ijzige af.

Het volgende wat in zicht komt aan de oever van de Bagmati rivier zijn de openbare crematies. Binisha  leidt me eerst heel voorzichtig naar een plaats waar het van een afstand zichtbaar is en ze waarschuwt me voor de geur. Daarna dalen we af naar de oever. Wat me het meest raakt zijn de luid huilende familieleden die daar ondersteund door anderen lopen. Dit verdriet is universeel, dit is voor iedereen gelijk. Op tribunes kunnen familieleden, als ze willen, het proces verder volgen.

Van een afstandje kijk ik in eerste instantie oogluikend naar de brandende stapels. Ze zijn er in verschillende stadia. Ik zie hoe een man vakkundig het hout een plaats geeft en de stapel steeds opnieuw bedekt met riet. Binisha vertelt dat dit wordt gedaan door deskundigen. Bij de crematie wordt gebruik gemaakt van de vijf elementen van het leven. Rood is het vuur, blauw is de hemel erboven. Wit is de lucht die we inademen, dat wordt gesymboliseerd door het vuur open te houden. Geel is de aarde, die wordt  in het vuur verwerkt en tenslotte groen is het water. Dit wordt toegepast in de vorm van zakjes water op het vuur. Na een paar minuten merk ik dat het geen enkele angst bij me oproept, het proces is zo natuurlijk. De symboliek er omheen maakt het zelfs mooi. Als ik in een pas aangestoken vuur toch iets menselijks zie raakt me dat totaal niet. Ik begrijp nu juist goed wat er hier bedoelt wordt. De overleden hindoe persoon gelooft in reïncarnatie, dit is slechts het omhulsel van zijn oude leven.

Het hele proces duurt ongeveer drie uur. Het voelt toch wel wat kil als ik zie hoe een man met de bamboestok in het vuur port om de zien of het crematieproces goed verloopt. De restanten worden in de “heilige rivier” geschoven, de rivier die uitmondt in de Ganges, de heilige rivier in India.

Met afgrijzen kijk ik naar de sterk vervuilde rivier. De stroming wordt sterk verstoord door bergen afval, naast de anderen resten die in de rivier geschoven worden. Aan de overkant zie ik iemand een bad nemen.

Binisha vertelt dat er tIjdens de corona alleen elektrisch gecremeerd mocht worden. De angst voor het virus zat er goed in.

Aan de overkant van de Bagmati rivier zitten de handlezers. Met mijn knieën op een ruw matje worden mijn handen tegen betaling gelezen. Met een lach hoor ik het verhaal aan. Binisha vertaalt alles. Sommige dingen kloppen, bij sommige dingen heb ik mijn twijfels. Dat ik erg oud mag word dat hoor ik natuurlijk graag. Maar dat ik in de toekomst rugproblemen ga krijgen dat hoor ik liever niet. Na afloop krijg ik nog wat rode rijstkorrels over de grijze plek op mijn voorhoofd geplakt ter bevestiging van de uitspraken.

Als we een theeruimte zien pauzeren we even. Alle indrukken moeten even zakken. De hitte, de indrukken ik wil even rust. Binisha herkent de vrouw van het theehuis en er ontwikkelt zich een geanimeerd gesprek. Razend nieuwsgierig zijn ze naar me en mijn afkomst: De foto’s gaan over en weer. Grappig de tulpenvelden zegt ze hier niets, toch niet zo wereld beroemd dus. Maar familie! Dat zegt toch iets over de Nepalezen, dat telt.

Naast ons zit een jong echtpaar, ze vragen of ik met ze op de foto wil. Grinnikend maar het meest erg verbaasd stem ik daarmee in. Als een reus sta ik tussen dit echtpaar. Hun hoofden komen tot mijn oksels. De kleuren van onze kleren matchen goed maar dat zal zeker niet de reden zijn. Na de foto’s kletsen we nog wat. Het echtpaar is pas getrouwd en komen van de andere kant van het land. Ze vragen of ik “babies” heb. Trots laat ik de foto’s zien van mijn “babies” die allemaal ouder zijn dan 30 jaar. De kreten zijn niet van de lucht. Ik voel de volgende nieuwsgierige blikken al en jawel hoor daar komt de vraag. Mijn leeftijd. ‘Ik ben 66 jaar zeg ik eerlijk, ‘maar vervolg ik, ‘ik denk dat mijn vader zich vergist heeft bij de aangifte want ik voel me 56 jaar.’  Een lang en luid gelach volgt. Met moeite scheuren we ons van elkaar los. Voor ze doorlopen omhelst de vrouw me en drukt haar hoofd stevig tegen de mijne. Dat is bijzonder. Ze is zo lief.

Verder gaan we. We dwalen door alle gebouwen. We passeren een afdeling die echt alleen voor hindoes bestemd is. Als we de poort passeren komt er net een trouwstoet uit. Het jonge meisje is vandaag getrouwd met het fruit, de eerste fase in de trouwceremonie. De vrouwen poseren graag in hun prachtige rood met gouden kleren en vertellen over relatie tot de jonge bruid.

Even verder luiden we lachend de bel die staat voor womenpower. Want daar zijn we beiden van overtuigd. Via de achterkant verlaten we de tempel. Mijn hoofd zit vol indrukken.

Met de taxi gaan we naar ons laatste doel de beroemde Stupa: de Boudhanath. Als we in een straatje lopen voel ik opeens de vorsende ogen van de Boeddha. Ik kijk op, als een groot wit, rond, schuimsnoepje doemt de Stupa voor me op. Daarboven zitten de ogen van de Boeddha, ze kijken precies het straatje in. Overdonderd sta ik stil, wat is het mooi, wat is het groot. De vlaggen wapperen aan alle kanten van boven naar beneden. Het is een feest om te zien. We lopen eerst om de Stupa heen, ik laat mijn handen langs de gebedsmolens in de muur gaan. Daarna gaan we naar binnen. Samen lopen we één rondje met een metershoge gebedsmolen bij de ingang.

Ik doe mijn schoenen uit en ga de tempel in. Monniken zitten in een rij naast elkaar te bidden. Als ik achterlangs loop zie ik een monnik een spelletje doen op zijn mobiel. De eerbied straalt er niet echt af. Anderen praten wat met elkaar. Voor de grote Boeddha brand ik wat wierook, doe mijn donatie in de kist en ontvang de welkomst-sjaal. In een schift schrijf ik mijn naam.

Binisha biedt nog een tour aan voor vanmiddag maar ik ben voldaan. Ik wil nu in mijn eigen tempo verder. Alle indrukken laten zakken en gewoon even wat lezen in de heerlijke binnentuin van het guesthouse. Als we op straat lopen word ik hinderlijk achtervolgd door een jongen. Hij raakt me keer op keer aan en vraagt om geld. Hoe goed  Binisha ook haar best doet, hij blijft ons volgen tot we in de auto zitten.

Tevreden val ik op mijn bed neer en leeg mijn zakken en mijn tas. Ik mis iets! Mijn portemonnee is weg! Ik zoek alles nog eens goed na voor ik actie onderneem. Ik controleer onmiddellijk mijn beide passen en blokkeer ze daarna. Peinzend zit ik op de rand van het bed. Op wat euro’s na heb ik nu geen contant geld. Omdat ik hier steeds geen grote bedragen in roepies opnam is die schade maar heel beperkt. Maar ik had nog graag wat cadeautjes willen kopen…

Ik neem contact op met mijn contactpersoon hier in Nepal en binnen vijf minuten is alles opgelost. Wat ben ik blij dat ik voor een degelijke organisatie heb gekozen.Tevreden zit ik even later achter mijn lunch met een koud biertje in de zon. Nog één ding wil ik geregeld hebben voor mijn verzekering. Na wat zoeken en vragen vind ik ergens tussen al die winkeltjes op de eerste etage de toeristenpolitie en doe aangifte van de diefstal. Ik fotografeer het formulier en bewaar zorgvuldig het briefje van de politie. Ik wil haar een fooitje geven voor haar hulpvaardigheid maar die wijst ze resoluut af. Dit ene gebaar van haar geeft me een positief beeld van de politiestaat hier.

Grinnikend denk ik even aan de man die mijn hand las. Dit had hij toch niet voorzien…

Terug in Kathmandu

17 mei. Na een onrustige nacht met muskieten sta ik zoals afgesproken om 6.45 klaar in het restaurant voor mijn ontbijt. Het wordt voor mij vervroegd klaargezet. Maar het systeem in dit restaurant gaat over zoveel schijven, is zo overgeorganiseerd dat het niet gelukt is. Ik vraag of ze dan iets mee kunnen geven. Grote Nepalese ogen kijken me aan, wat een rare vraag zie ik de ober denken. Als ik de keuken in kijk zie ik zelfs een licht paniekerige blik in de ogen van de kok. Ik kijk naar zijn handen die getraind zijn op één tempo, hij is daar volledig aan overgeleverd, het woord geketend komt zelfs bij me op. Na flink aandringen krijg ik alvast het fruit. Vervolgens staat de kok daar met de tosti in zijn hand, bijna radeloos. Ze moeten, met het kaas ertussen, nog worden geroosterd. Mijn vraag om ze daarna mee te geven gaat echt te ver. Ik hoor ze aan een tafeltje te eten met een vork en een mes. Een manager komt erbij, er wordt gepraat, de kok kijkt nog eens naar de niet geroosterde  tosti. Opeens steekt hij zijn hand naar me uit met daarin de tosti, met een blik alsof hij zijn kindje zonder kleren op straat zet geeft hij hem aan mij. Ik pak een hand servetten en wikkel zijn kindje daarin.

Buiten zit Yoji. ‘Hoe was je ontbijt’, vraagt hij. Waarop ik antwoord: ‘Dat is niet goed gelukt.’ Hij roept wat naar de bedienden en tot mijn verbazing zegt hij tegen mij: ‘Ga naar binnen en drink tenminste je thee, ‘er is tijd zat.’ Nepalezen blijven me verbazen. Binnen slobber ik mijn thee naar binnen. Inmiddels komen zeker vier bedienden naar me toe en ik antwoord tussen de slokken steeds door: ‘Ja, ik ga. Ja, ik ben uitgecheckt. ‘

In de bus is het wel even wennen. Geen Geyrjen om genoeglijk tegen te leunen maar een oudere man en dat maakt het wel veel minder aantrekkelijk. De man met Nepalese muts neemt meteen de gewoonte aan om breeduit te zitten. Maar helaas voor hem ben ik geen Nepalese. Ik laat hem met licht drukken van mijn ellebogen keer op keer merken dat de armsteun in ons midden van niemand is, dat daar de grens ligt. Het geeft me net het beetje privacy waar ik me beter bij voel.

Ik merk dat ik anders reis als al die andere keren. Een gereserveerde plaats in een bus die aardig richting de Flixbussen gaat waar ik wel mee naar Frankrijk ben gereisd. Er is een normale plaats voor mijn handbagage.  En rugzak ligt er niet bovenop. De voetensteun en vooral het stopcontact maken veel indruk op me. En wat een wonder als de airco boven mijn hoofd het doet. Geen kleffe deinende lichamen om me heen en niet die heerlijke mix van zweet. Het voelt al een beetje als een afscheid van die mooie weken. Misschien is het wel goed voor me langzaam afbouwen denk ik, en slik de prop die in mijn keel opkomt door. 

Vervolgens pak ik mijn iPad en doe de oortjes in. Ik sluit me af van Nepal. Na tien minuten kan het boek me niet meer boeien. Vervolgens kijk ik verder naar de film die ik gedownload heb: Against the Ice. Een spannende film met veel ijs, sneeuw en ijsberen. Elke keer als ik opkijk van de film en buiten de totaal andere subtropische omgeving zie duizelt het me. Het verschil is te groot. Dit werkt niet. Dan maar de reismodus. Ik zet mijn stoel een standje lager en sluit mijn ogen. Het lukt slecht. Opeens weet ik het: ik mis de muziek van  gillende vrouwenstemmen in onverstaanbare taal van.

Als de bus even verder stopt zijn er een aantal meisjes die mijn aandacht trekken. Ze zwaaien en lachen naar me en ik doe hetzelfde. Wanneer we weer optrekken zie ik ontroerd dat ze me ook uitzwaaien.

Ook al is de bus nog zo luxe, de slechte weg laat zich miet verdoezelen. We wippen regelmatig met zijn allen hoog op van onze stoelen.

Mijn reisgenoot bij het raam eet smakelijk van zijn meegenomen fruit. Als hij klaar is stopt hij alle afval in een zakje en opent het raam. Met eigen ogen zie ik van heel dichtbij hoe de grote vervuiling in Nepal mede ontstaat. Snel pak ik het afvalemmertje wat hiervoor in het gangpad staat en hou het vriendelijk onder de neus van mijn buurman. Hij lacht naar me en propt snel het zakje afval toch door het raam. In het Nederlands zeg ik tegen hem: ‘Mafkees, wees toch zuinig op je land.’

Een luxe bus betekent ook luxe stopplaatsen. In het toilet zijn normale wc’s. Of het nu zoveel hygiënischer is dat vraag ik me af. Ik bedien mezelf van de zweefstand. Het kopje melkthee met suiker komt uit een automaat. Geen groezelige beker met een laagje drap onderin. Geen lepel die ik eerst een beetje schoonpoets met een servetje voor ik de suiker met de lepel in mijn beker doe.

Tussen alles door zie ik een prachtige frisgroene omgeving. De zon is helder en brandt op me als ik tijdens een pauze buiten sta. Tevreden zie ik dat de huiszwaluw zijn nest heeft gebouwd tegen het plafond van het restaurant en daarmee het brave doorbreekt. En al is de bus nog zo luxe en draagt de chauffeur schoenen in plaats van slippers tijdens een pauze legt hij toch een paar keien voor het wiel. Hij vertrouwt zijn handrem misschien niet helemaal. Ik kijk er blij  naar.

Uur na uur zitten we in de bus. Mijn buurman vindt me zeker niet aardig. Hij houdt hardnekkig zijn ogen dicht. Hij moet wel vaak plassen. Prostaatje?Denk ik met wat leedvermaak. Aan de anderen kant van het gangpad zit een Japanner. Hij sloot zijn ogen bij het vertrek en deed ze pas open toen hij uit de bus stapte. Maar er zit ook een moeder met een kindje op schoot. Ik deel mijn koekjes met haar. Even later reikt het meisje van hooguit twee jaar mij een minipruim aan. Met verbazing kijk ik naar haar, hoe ze al die uren geen kik geeft. Vol overgave, zit ze met haar hoofdje op de borsten van haar moeder.

De rit gaat door de Kathmandu vallei. Het woeste van de Himalaya’s is verdwenen. De hoogte is nog steeds misselijkmakend maar het ongenaakbare, het arrogante is verdwenen. Van verre zie ik steeds hoe de weg naar beneden of naar boven gaat. We dansen alsware glooiend omhoog en omlaag. De  bergwanden zijn ingericht met de zogenaamde terrassen. Prachtig egaal groen als het rijstplantages zijn,  meer  wuivend als het om mais gaat. Een voorjaarsfrisse schoonheid die ik niet had verwacht. Gulzig gaan mijn ogen erover en ik dwing mezelf om er goed naar te kijken. Dit zijn vrijwel zeker de laatste keer dat ik de bergen zo zal zien.

Als we de stad naderen verandert ook de omgeving. Langzaam dringt het stof zich op. Het vuil langs de weg neemt de plaats in van de bloemen. De vriendelijke huizen worden bedrijven. De weg staat vol  met bussen en auto’s  die een walmende vette walm achterlaten. Tot het verkeer volledig stil staat en ik me afvraag hoe hier ooit een einde aan komt.

Langzaam schuiven we de buitenwijken, de arme wijken van Kathmandu in. Een trieste afwisseling met de prachtige groene vallei. Het verkeer krioelt door elkaar. De bus heeft zijn eerste stopplaatsen. Ik kijk goed rond of ik het grote busstation zie, daar is afgesproken met Binisha. Bij een van de stops komt er een jongen de bus in hij komt wat nerveus naar me toe en zegt iets waar ik niets van begrijp. Hij pakt mijn arm. Ik pak mijn tas en volg hem. Als ik om de hoek van de deur kijk staat daar een breed lachende Binisha.

Voor ik het weet zitten we in een taxi voor de laatste meters naar het Potalahotel, waar mijn reis begon op 28 april. Het is als een thuiskomen. Met mijn rugzak nog in mijn hand praten we over de afgelopen weken en willen ze de foto’s zien.  Wijs geworden in Pokhara zeg ik tegen Binisha: ‘Rustig aan, ik breng eerst mijn spullen naar boven en daarna praten we over de invulling van deze dagen.’  Blij loop ik ‘s avonds in het donker zigzaggend door de chaos van het verkeer naar een restaurantje en bestel melkthee met momo.

Heimwee en onweer.


 

16 mei. Om vier uur sta ik naast mijn bed. Yoji,  mijn gids in Pokhara, staat met een taxi voor. In een snel tempo rijden we door de slapende stad. Kort gaan de lichten van de auto over een vrouw. Ik zie hoe ze wierook brandt bij een boom en daar haar gebeden doet. Mijn ogen kleven vast aan de  mysterieuze gestalte. Ik draai mijn hoofd zover mogelijk zodat ik zolang mogelijk deel kan zijn van haar rituelen. Sinds ik in deze stad ben is dit het eerste wat me diep raakt. Ik weet inmiddels dat bomen ook horen bij de reïncarnatie.

Verder gaat het, omhoog naar het hoogste punt bij de stad. Voor het laatste stuk moeten we een aantal trappen op. Hier merk ik verheugd hoe gemakkelijk ze me afgaan. Ik heb profijt van het extra aantal rode bloedlichaampjes die ik heb opgebouwd in de Himalaya. Boven gekomen zie ik alleen maar mist en lage bewolking. Ik ben benieuwd naar het wonder dat hier moet geschieden. Ik zie die niet zo zitten. Er komen meer mensen en een vrouw gaat in afwachting van het spektakel alvast in kleermakerszit zitten. Het lijkt even of ze mediteert maar al snel zie ik dat het om de foto gaat. Keer op keer beoordeelt ze de kwaliteit en gaat steeds weer opnieuw zitten.

Meer mensen komen er en  nog meer mensen zijn alleen maar bezig om die ene prachtige foto van zichzelf te laten maken. Ik voel zelf hoe sceptisch ik ben, waar is de Vronie gebleven uit de Himalaya’s?

Na een uurtje zeg ik tegen Yogi zullen we weer gaan?  Diezelfde zon staat al ver boven de horizon, alleen verstopt achter wat wolken. Ik kan de zon geen ongelijk geven, ik zou het ook gedaan hebben.

Terug bij de taxi rijden we in een snel tempo naar een kamp. Ik heb geen idee wat ik me er bij voor moet stellen. Yoji praat veel maar met de chauffeur. Tot mijn verrassing komen we bij een prachtige poort. Een poort geverfd in al die kleuren van Tibet en met zoveel precisie. Het komt me zo bekend voor. Bijna ontroerd zie ik waar ik ben. Dit “vluchtelingenkamp” heeft een geschiedenis die ik ken. In de begin jaren vijftig is China met een groot leger Tibet binnengetrokken. Veel mensen zijn voor de Chinezen op de vlucht geslagen. Dit is één van de drie kampen in Nepal waar ze werden opgevangen. Hier zie ik weer de klederdracht van de bergvolken. Herken ik de specifieke trekken in het gelaat, het vertederd me. Er zijn nog maar enkele Tibetanen van die tijd. Een prachtige tempel staat midden op het terrein. Ik doe mijn schoenen uit en ga naar binnen.  Een Boeddha in al haar gouden pracht glimt me een welkom toe. Prachtige mandela’s sieren de wanden en het plafond. Ik loop een rondje met de gebedsmolens samen met een monnik. 

Op dit moment is in het kamp overwegend een opleiding voor de jonge monniken. Yoji heeft er niet zoveel mee op merk ik. Hij maakt een passieloze opmerking in de geest van: ‘Maakt niet uit waar je in gelooft, het is allemaal hetzelfde.’ Verbaasd kijk ik hem eens vanaf de zijkant aan en bijt op mijn lip voor er een onvriendelijke opmerking komt.

Na dit vogelvlucht bezoek vervolgt de auto snel zijn weg. We gaan nu naar een straat waar nog huizen in de originele Nepalese vorm staan. De auto stopt en Yoji zegt kort: ‘Picture?’ Eigenlijk is het meer een opdracht. Ik doe mijn best om een foto van één van die huizen te maken zonder een auto erbij of die bossen elektriciteitsdraden die overal hangen. Tenslotte waren die er niet in die tijd. Ik staar nog een tijdje naar het prachtige houtsnijwerk.

Het volgende object is de markt met groenten en vlees. Ik wil niet kinderachtig doen en loop zo belangstellend  mogelijk mee. Om de markt nog enige betekenis te geven zeg ik tegen Yoji: ‘ Ik wil bananen kopen.’  Het lijkt even of die aankoop zijn tijdspatroon verstoort.

Weer drukt de chauffeur het gas flink in. We zijn nu op weg de naar de rivier. Bij een hangbrug stopt de auto. We steken de brug over en komen uit bij een uitkijkplaats. Ik vraag me serieus af wat ik hier moet zien. Yoji vertelt dat dit de witte rivier is die uiteindelijk uitkomt in de Ganges, de beroemde vervuilde rivier waar Hindoe’s zich in baden en de as van de overledenen in strooien. Ik buk me over de rand van de brug en zoek naar het witte water. In gedachte zie ik de melkwitte golven voor me zoals ik ze steeds heb gezien in de Himalaya’s.

Terug in de auto is de maat voor me vol. Het volgende onderdeel een bezoek aan het klimmersmuseum heb ik geen enkele behoefte aan.  Ik voel me verdrietig. Ik voel me helemaal niet thuis in deze wereld. Ik slik en neem een besluit. Resoluut zeg ik tegen Yoji: ‘ Ik wil niet naar het museum. Breng me terug naar het hotel’ ,en vervolg ik, ‘vanmiddag wil ik met de boot naar de Stupa en lopend terug.’ Ik zie dat hij even verbaasd is. Er moet eerst gebeld worden met de coördinator.

We spreken af dat we vanmiddag om twee uur gaan. Om negen uur ben ik weer terug, ik loop rechtstreeks naar de ontbijtzaal voor mijn ontbijt.

Terug op mijn kamer ga ik op het bed liggen en val onmiddellijk in slaap. Als ik wakker word is de zon op mijn balkon. Ik bel met thuis, maar de verbinding is waardeloos. Ik voel me nog steeds verdrietig. Ik mis de puurheid van de bergen, de prachtige natuur, de vriendelijkheid van de bergbewoners, de eenvoud van de lodges, ik mis het gezelschap van de jongens. Ik mis mijn beweging. Ik ontdek dat ik last heb  van ontwenningsverschijnselen. Heimwee! Was het nog maar gister dat zelfs de goorste busreis de hemel leek?

Opeens weet ik wat me te doen staat. Ik vul mijn waterfles met water. Gooi er vier druppels Hadex in en een half tablet vit.c met sinaasappelsmaak.  Vervolgens neem ik plaats op het balkon, pak mijn IPad en schrijf mijn gevoelens van me af. Met smaak neem ik regelmatig een slok van de vertrouwde drank met chloorlucht. Zienderogend verdwijnt mijn heimwee.

Tegen twee uur ga ik naar beneden. Dikke grijze wolken pakken zich samen boven de stad. Maar ik ben onverwurmbaar. Yoji wijst nog zorgelijk naar de lucht maar ik zeg opgewekt: ‘We gaan.’  Aan de oever van het Fewa-meer stappen we in een blauw bootje. Een Nepalees met spierballen als meloenen roeit ons naar de overkant. Hoog op de heuvel staat de Stupa mij te wenken.  Oh, wat geniet ik weer.

De eerste druppels vallen als we aanmeren. Ik negeer de blik van Yoji en zeg: ‘Onder de bomen wordt je niet nat.’ Opgewekt begin ik aan de ik klim van één uur. Al snel flapt de regen neer. Met mijn regenjas  aan voel ik me onaantastbaar. Het onweer gaat tekeer. Schelle lichtflitsen gaan door de lucht.  Halverwege is een restaurantje waar we pauzeren. De regen is geen bui meer maar een wolkbreuk, het onweer dondert onveranderd. Een beker hete melkthee maakt het feest voor mij compleet. Ik voel de weerstand van Yoji maar ik laat me niet weerhouden. We gaan verder. Voorzichtig zet ik mijn voeten neer, door de regen worden de  met mos begroeide stenen spekglad en een ongeluk op de valreep zou jammer zijn. Als de Stupa in zicht komt maakt me dat zo blij. Daar kan geen onweersbui, geen wolkbreuk tegen op.

Ik heb gehoord dat het vandaag de verjaardag is van Boeddha. Dat maakt het voor mij extra bijzonder. De Stupa hoort bij het werelderfgoed van Unesco. De laatste trap mag alleen op blote voeten en er mag niet gesproken worden. Met plezier trek  ik mijn toch al natte sokken uit. Het water op de trap voelt warm aan mijn voeten, gewoon heilig. Ik neem mijn tijd en vraag tenslotte fluisterend aan iemand om mij boven te fotograferen.

Weer terug bij mijn schoenen en bij Yoji begint de regen weer te vallen. Ik heb nog maar net mijn veters gestrikt en mijn regenjas aan als er weer een wolkbreuk komt. Ik weet dat je via de achterkant ook met een taxi naar beneden kan. Maar op zijn voorstel antwoord ik dat ik wil lopen. De weg gaat steil naar beneden. We naderen de stad nu via een heel andere kant. Het deel waar de mensen wonen, waar een weg van asfalt niet altijd vanzelfsprekend is. Waar de koeien op straat lopen.

Hier ontdek ik dat Yoji een Hindoe is. Koeien zijn voor de Hindoe heilig. Ik herinner hem aan zijn onverschillige uitspraak eerder, dat het allemaal niet uitmaakt waar je in gelooft. Hij mompelt wat. Als we nog een paar kilometer moeten stelt hij voor om de bus te nemen. ‘Ik wil graag lopen’, is mijn antwoord. Lijkt dit niet een beetje op wraak Vronie, hou ik mezelf voor. Die man doet zijn best, hij kan toch niet weten dat die hele trip van vanmorgen voor jou een nutteloze rit is geweest? Ik negeer het stemmetje in. In hoofd.

In de stad zie ik wat er gebeurt als er zoveel water uit de lucht valt. Straten staan blank, we manoeuvreren ons eromheen. Drijfnat maar blij kom ik weer bij het hotel. Yoji zegt niet veel en verdwijnt meteen. Ik voel weer mijn kracht.

De onweer en regen gaan onveranderd verder. De stroom valt uit en een grote aggregaat beneden neemt bulderend de voorziening over. Tevreden stap ik onder de douche. Morgen om acht uur vertrekt de bus naar Kathmandu, ik verheug me er nu al op.

Pokhara. De waterpijp

15 mei

Om acht uur komt de bus dus het ontbijt kan op de normale tijd om zeven uur. Op mijn gemak vul ik mijn rugzak en poets mijn tanden. Mijn rode shirtje die ik gisteravond te drogen had gehangen zie ik nergens meer. Als ik over de rand kijk zie ik een rood hoopje onder me op een muurtje liggen. Als ik de hoteleigenaar vraag om hem te pakken, zal dat geen enkel probleem geven. Het lot beslist voor het rode shirtje. Ik sta versteld van mezelf als ik besluit dat het daar een mooie plaats heeft en draai me opgewekt om. 

Opeens weet ik het waarom het me hier zo doet herinneren aan Uganda. Naast de mix van plakkerige warmte, het chaotische, is het ook het krakende geluid van de kraaien gecombineerd met de rotzooi overal. En natuurlijk die gebouwen in Uganda, dat koloniale was een erfgoed van de Indiërs uit de tijd van voor Idi Amin. Nepal en India hebben daarin toch wel wat overeenkomsten.

Beneden prop ik mijn chappaties naar binnen en drink de melkthee. Ik weet echt niet wat ik hoor als Gyerjen zegt dat de bus er al om vijf uur was. Hij was er daarom vannacht uit gegaan en heeft gepraat met de chauffeur. Als ik op straat kom zie ik een schone Toyota-autobusje staan. Ik ben eigenlijk een beetje teleurgesteld, ik had verwacht in zo’n gezellige bontgekleurde bus te gaan en die vervolgens goed wordt volgepropt. Dit is een busje voor 18 personen. ‘Luxe hoor, zeg ik tegen Sujen.’ Die lacht en knikt wat. De rugzak gaat op het dak en we rijden ruim voor tijd weg. Als de bus weer stopt om iemand mee te nemen vind ik dat vanzelfsprekend. De  jongen roept steeds luid, hangend uit de deur, naar de mensen langs de weg: ‘ Pokhara, Pokhara’. Als iemand reageert stopt de chauffeur tot het busje vol is. Ik moet lachen als ik ontdek dat, ook al is het busje vol, de jongen blijft roepen. En jawel hoor, hij tovert plankjes tevoorschijn en legt die tussen de stoelen aan weerszijde van het gangpad. Andere passagiers moeten hun kussentje inleveren en hopla zo weer drie plaatsen erbij. Op de voor en achterbank kan ook nog wel iemand. Zelf blijft hij staan. Als er ook nog een vrouw met een zak met meel erbij komt hoor ik tot mijn verbazing de andere mensen mopperen. Ze hebben geen zin om nog van meer ruimte in te moeten leveren.  Ze hebben meer betaald om luxer vervoerd te worden. Ik ben benieuwd hoe de jongen dat oplost. Hij kijkt niemand aan, trekt de vrouw in de auto legt de zak meel op de grond en het busje gaat rijden. De vrouw werkt haar billen tussen de anderen op de voorbank. Opgelost.

Zo samengepakt gaan we verder. Ik mis nu alleen de bonte kleuren, de  gordijntjes, de gekleurde frutsels en een Boeddha ergens. ik fluister naar Geyrjen: ‘Hebben we geen muziek?’ Hij grijnst en zegt: ‘Wacht maar.’ Gelukkig, al snel jengelt een vrouwenstem door het busje en bij mij start het grote genieten. Tevreden nestel ik me tegen de dij van Geyrjen en trek het raampje wijd open. Ik voel hoe er een brok in mijn keel komt. Ik voel me zo bevoorrecht.

De weg gaat niet meer over spannende bergpaden en langs diepe ravijnen. Geen krappe haarspeldbochten en geen stukken waarvan je denkt, blijven we op deze rots hangen of gaan we er overheen. Ook de rivier heeft zich van deze route weggedraaid.

Maar wat ik ervoor terug krijg is niet minder boeiend. Langs deze doorgaande weg zijn de mensen. Niet de mensen met veel geld, die hebben hoger tegen de berg hun huizen. Ik zie de mens zoals de meesten hier zijn. De mensen uit de lagere kasten. Soms tussen bergen afval, smerige bruine behuizingen. Stoïcijns wachtend op iets?  Soms de mensen met meer levenszin die hebben een klein tuintje, een geit. De was hangt daar te drogen over en op een muurtje.

Maar ook veel winkeltjes, de een na de andere gevuld met kleine zakjes waspoeper, rolletjes biskwietjes, zeep, soms bananen uit eigen tuin, soms veel plastic spullen. Zou iemand hier ooit iets kopen? De mensen zitten op een krukje of de grond te wachten op die ene klant. Soms liggen ze languit. Toch zie ik ze ook met elkaar praten. De geluiden en de lach komen door het raampje naar me toe. Kinderen spelen met elkaar en rennen in hun smerige kleren lachend rond. Het lijkt alsof iedereen hier de tijd heeft of een vrije dag. Maar achter deze façade schuilt naast de lach zorg en verdriet.

Zouden deze mensen te stemmen zijn geweest afgelopen vrijdag?  Geprobeerd hiermee hun omstandigheden te verbeteren. Ik vraag ernaar bij Geyrjen. Hij schudt twijfelend zijn hoofd en zegt: ‘De mensen met geld hebben meer invloed.’ Ook Sujen ging niet stemmen. ‘Ik kan nu toch niet’, was zijn antwoord. Op mijn vraag of hij iemand gevolmachtigd had lachte hij wat. Sujen komt uit een lage kaste. En waar ik nog steeds moeite mee heb is hoe Gyerjen Sujen opdrachten geeft en hij ze gewoon ondergaat. Ondanks dat de jongens ontzettend goed met elkaar op kunnen trekken en  echte vrienden zijn. Geyrjen is van een hogere kaste. Het zit er gewoon in.

Na een paar uur sluit ik mijn ogen en start de “meedein” fase. Ik zet mijn verstand op nul en ga mee in de mensenmassa in de bus Het ene moment hang ik volledig op Gyerjen, en even later als de bus een zwenk maakt valt Geyrjen tegen mij aan en zo gebeurt het voor en achter mij. Het is ook de enige manier om zoveel uur in een propvolle bus te zitten. Op de achtergrond heeft de muziek inmiddels een slaapverwekkende werking gekregen. Het brengt me in een heerlijke ontspannen fase. Ik ben zelfs zo ontspannen dat mijn waterfles ongemerkt op de grond valt.

De chauffeur is goed met het gas en de rem. Dat zijn de keren dat ik hardhandig uit mijn roes gehaald word. Ik moet grijnzen als ik zie dat de jonge knul de rem, het gas en de koppeling op teenslippers doet. In Nepal kan alles. Het windje dat door het open raam komt maakt een bijzondere mix van alle aanwezige zweetgeuren. Een geur die in geen enkele  parfumwinkel te koop is.

Inmiddels is de zon verdwenen en de temperatuur in de bus stijgt. Mijn haar zit vastgeplakt op mijn  hoofd. Na vijf uur rijden komt Pokhara in zicht en daarmee een einde aan mijn euforische uren. Op het busstation stappen we over in een taxi. De jongens dwepen met Pokhara, nieuwsgierig kijk ik door het raampje. Als snel draait de auto naar een duidelijk betere wijk met torenhoge hotels en straten vol winkeltjes en outdoorwinkels.

Vlak voor een glimmend hotel staat hij stil. Voor het tot me doordringt sta ik op de glanzende marmeren plavuizen van de entree. Ik knipper met mijn ogen, waar ik ook kijk, overal zie ik strakke witte wanden. Geen detail teveel. De baliemedewerkers in witte polo’s lachen vriendelijk vanachter hun mondkapjes naar mij.

De overgang is te groot, het begint te suizen in mijn hoofd, dit is teveel. Opeens voel ik me vies. De aangename zweetmix uit de bus stinkt hier. Ik moet formulieren invullen, er worden vragen gesteld. Ik krijg een berg aan informatie over me heen. ‘Waar slapen jullie’, vraag ik hulpeloos aan de jongens. Ze schudden met hun hoofd, ze moeten naar een goedkoper hotel. Na al die weken alles samen te hebben gedaan sta ik er nu alleen voor. Ik voel me eenzaam.

Opeens komen er twee mannen van het reisbureau naar me toe. Ik word overstelpt met voorstellen, hoe wil ik mijn dagen hier doorbrengen? Wat wil ik bezoeken. Om ervan af te zijn ga ik op het voorgestelde plan in. Morgenochtend om vijf uur begin ik, kijken hoe de zon ergens opkomt.

Ik zie dat de jongens aanstalten maken om naar hun hotel te gaan. Snel spreken we af om samen te lunchen. Ze komen me straks weer halen.

Dan zet ik mijn eerste stap op het glimmende marmer van de trap en loop naar mijn kamer. Overweldigd kijk ik rond. In niets zie ik de charme terug van de eenvoudige lodges. Ik keer mijn rugzak in één keer om. Een vreselijke walm van de smerige kleren  komt omhoog. Het was me nog niet eerder opgevallen. Ik pak een shirtje waarvan ik denk die het minste stinkt en loop weer naar beneden. De jongens wachten al, samen gaan we even verder lunchen.

Ik vertel alweer lachend over mijn eerste ervaring in het hotel. Geyrjen kiest weer mijn eten uit en ik leun tevreden achterover. Voor het eerst drinken we bier bij de lunch. Als het ijskoude vocht in de beslagen glazen zit proosten we. We proosten op een mooie tijd samen, op het doel wat is behaald en op de goede afloop. Al die dagen heb ik me laten leiden, ik kon al mijn aandacht bewaren voor het veilig lopen. Mijn bed en de maaltijden werden voor me geregeld. Sujen zorgde dagelijks voor mijn fruit en elke ochtend gaf hij me een mars of wat nootjes voor de korte pauze. Ik kon volledig op ze vertrouwen.

Weer blij loop ik terug naar het hotel. Vanavond gaan we samen nog uit eten en daarna zal ik toch echt op eigen benen verder moeten gaan.

Een regendouche, een föhn, koffie en thee op de kamer, airco en een groot wit bed zijn toch wel erg fijn na zoveel dagen van een beetje poedelen of zelf gewoon helemaal niets.

Om zeven uur zitten de mannen weer te wachten beneden in de lobbie. Dichtbij is een gezellig restaurant. Er speelt een band met ook voor mij herkenbare muziek. Voor de laatste keer laat ik mijn eten uitkiezen door Geyrjen. De thee met melk laten we achterwege, het koude bier van vanmiddag is goed bevallen. Drie glazen gaan omhoog: proost op de mooie tijd. Als de flessen leeg zijn laten we ze weer vervangen. Het eten smaakt heerlijk we kletsen over van alles.

Als de borden weg zijn komt de waterpijp. Eerder hadden we al eens een gesprek gehad over roken. Nee, ze rookten beide niet, alleen… Als ik om me heen kijk zie ik tot mijn verbazing dat de waterpijp hier heel normaal is. Nieuwsgierig geworden wil ik dit toch wel eens proberen. Ik trek aan de pijp, het water borrelt en vervolgens blaas ik de rook weer uit. Het smaakt naar appel maar verder merk ik er niets van. Ik probeer het een paar keer en laat dan de waterpijp over aan de jongens.

Na een paar gezellige uurtjes met veel lachen en veel bier is het zover. Ik heb voor een ieder een bedankje geschreven en voor Geyrjen heb ik er nog een “eerste hulp setje bij diarree”  erbij gedaan.

Voor de deur van het hotel nemen we afscheid. De tijdelijke drie-eenheid krijgt hier een einde. Als ik de marmeren trappen weer oploop komen er tranen in mijn ogen. De week die nog volgt en die me zo leuk leek, heeft even geen waarde meer…

Zwetende gewoonten, 800 meter.


14 mei. 
De rivier hield me wakker vannacht of was het misschien toch de alcohol?

Om 6.50 staat Geyrjen voor de deur. Hij heeft  een jeep kunnen regelen, die is al onderweg. Snel prop ik al mijn spullen in mijn rugzak en ga naar beneden om mijn chappaties te eten.

Het eten is hier nog steeds lastig. Ook nu weer en trouwens ook gisteravond. Eigenlijk elke keer. Ik laat Geyrjen meestal kiezen. Gister hadden we een heerlijk lokaal gerecht dat leek op spaghetti, lekker pittig met stukken groene peper erin. Gretig zette ik mijn vork erin. Maar na drie happen was de trek weg. Ik probeerde er nog zoveel mogelijk van te eten want in Nepal zijn ze er niet blij mee, het is niet beleefd en zou kunnen suggereren dat de kok niet goed gekookt heeft. Ik blijf hardnekkig daarom om kleine porties vragen, dat vinden ze ook lastig. Zo ook de chapatties van nu, ik prop ze er braaf  in.

We zitten met zijn zessen in de jeep de rest staat in de achterbak. De weg  is slecht, eigenlijk kan je het geen weg noemen. De enige  mogelijkheid van vervoer is met een jeep of met een scooter. Een gewone auto is hier echt niet mogelijk. Laat staan een bus.

Slingerend in scherpe haarspeldbochten gaat het over de in de bergwand uitgehakte weg  naar beneden. De bocht is soms zo scherp dat de chauffeur er niet in één keer door kan en dus moet steken.

De zon schijnt. Vannacht heeft het geregend daarom kunnen de ramen open. Ik zit voorin te genieten en kijk over de rand de afgrond in. Angst ken ik niet, die is hier snel verdwenen. Ik heb al zoveel angstaanjagende stappen moeten zetten op smalle richels. Over wiebelende hoge hangbruggen gelopen.  Nu heb ik gewoon alle vertrouwen in de chauffeur. 

Juist omdat het vannacht geregend heeft wordt de auto omringd door vlinders. De grote zwarte, de zwarte met blauw, de zwarte met mintgroen. Vlinders lijkend op een zebra, gele, witte, mijn ogen gaan van links naar rechts. Een bruine aap zit rustig in een boom, niet onder de indruk van de jeep. Maar de grote hagedis met een oranje kop maakt zich snel uit de voeten. De bergen zijn hoog en recht, massief. De rivier stroomt diep onder ons door een diepe kloof. Pas als we het dal in gaan en door een dorpje rijden komt hij dichtbij.

Als er even verder ook bananen en kokosbomen tussen de anderen bomen staan is het tropische gevoel voor mij compleet. Aan de overkant zijn op de bergwand de terrassen aangelegd waarop de rijst gekweekt wordt. Mijn blik gaat ook veel omhoog, naar al de bergtoppen. Als ik ergens een blauw wolkje omhoog zie kringelen, dan weet ik dat daar wordt gewoond.

Tijdens een korte plaspauze loopt de chauffeur met een grote sleutel de wielen langs. Ik verbouwereer nergens van als ik zie dat hij een schokbreker in zijn hand houdt. De levensduur van een auto kan hier nooit lang zijn. De chaufffeur heeft de voorkeur voor de  Nepalese zangeressen met de jengelende stem. Elke keer als hij de auto start begint het bandje opnieuw te jengelen. Ik weet na een paar keer al precies wat ze gaat zingen.

Langzaam dalen we zo naar 800 meter, naar Besisahar. De mannen achterin stonden al die tijd in de zon en het zweet gutste van hun lijf. Met grote ogen zie ik Sujen en Gyerjen iets doen wat ik eerder ook al heb gezien bij andere mannen. Ze hebben hun shirt omhoog gerold en laten daarbij een groot stuk van hun buik zien. Ik heb eigenlijk helemaal geen behoefte aan die zwetende stukken buik en kijk maar wat om het blote gedeelte heen. Iets typisch Nepalees? Net als een rondje lopen als je teveel hebt gegeten?

Besisahar is een klein stadje. Meteen krijg ik het gevoel in Uganda te zijn. De geur, de plakkende warmte, het chaotische, de huizen met een enigszins koloniale bouwstijl. Toch hebben de gezichten en de kleding niets Afrikaans. Het zal het klimaat zijn redeneer ik.

Het hotel ziet er aan de buitenkant imposant uit met een brede marmeren trap. Een douche waar zelfs alléén maar heet water uit komt. Maar de kamers zijn smerig en ik ben toch echt wel wat gewend. De lakens en de kussens zitten vol vlekken van de voorgangers. Resoluut pak ik mijn eigen laken en slaapzak. Het kussen sla ik wel een nachtje over.

In de eetkamer liggen onder de tafels hopen houtmolm van de houtworm . De  wanden zijn blauw gekalkt, voor de ramen sierlijke tralies en er schijnen een paar heftige lampen die elke intimiteit in één keer verjagen. De Daal- bath was prima en de thee leek meer op suikermelk.

Met een grijns ga ik de trap op naar mijn kamer, morgen met de bus naar  Pokhara.

Het water, 1800 meter.

13 mei. Ik stap in mijn vochtige broek, de rest van mijn kleren hou ik ’s nachts in  mijn slaapzak droog. De chappaties eten we weer in de keuken, het ziet daar echt zwart van de vliegen. Ze zitten in de honingpot en in mijn thee. Met het puntje van mijn mes vis ik ze eruit en leg ze op het randje van mijn bord.

Met spijt draai ik even later de sleutel om van het hangslot van mijn huisje. Ik heb hier zo heerlijk geslapen. De duizendpoot die op mijn hoofdkussen liep heb ik gisteravond voorzichtig op de grond gezet, terwijl ik zei: ‘Sorry,  vanavond  is dit bed voor mij.’  De ruimte is nu weer voor hem.

Ik kijk nog eens naar de berg achter mijn lodge. Stoer steekt de Manaslu zijn twee pieken omhoog. Ik zucht en draai me om .’Are you ready’, vraagt Geyljen en vervolgens zegt hij zoals hij steeds zegt, ‘take your time Vironi.’ Inmiddels heeft Sujen mijn rugzak al weer op  zijn rug. We nemen alledrie onze gistermiddag gewassen kleren nog nat mee. Ik hang wel mijn handdoekje aan de buitenkant van mijn rugzak te drogen. Ik durf het Sujen niet aan te doen om mijn ondergoed daar bij te hangen.  Dus draag ik voor de derde dag op een rij dezelfde.

In deze weken hebben we een vast wandelpatroon ontwikkeld. De mannen lopen voor en ik een paar passen er achter. Voor mij een vertrouwd gezicht de twee babbelende jongens voor me. Een rode en een blauwe rugzak. Als de afstand te groot wordt, houden ze zich even in. Als ik teveel achter raak zegt Gyerjen zorgzaam: ‘Are you oké Vironi?’ En kijkt me onderzoekend aan. Toen ik ergens knielde voor een foto werd mijn broek ter hoogte van mijn knie nat en wat vies. Opeens zie ik Geyrjen kijken en de vraag die volgt is: ‘Did you slip.’ ‘Slip’, herhaal ik en denk: waar heeft hij het over. Hij wijst met zijn stok naar mijn vuile broek. Ik lach en zeg: ‘No, I didn’t slip, I took a photo.’  Waarna de bezorgdheid van zijn gezicht verdwijnt.

We vervolgen de daling van gister. Dit wordt vrijwel zeker mijn laatste wandeldag en ik wil genieten van elke stap. Ik stop wanneer ik wil, maak foto’s en neem de prachtige omgeving in mij op. Ik voel me zo bevoorrecht dat ik hier gewoon kan lopen. Als de jongens weer even op me wachten zeg ik dat ik van elke stap genieten wil, en dat ik vandaag dus echt langzaam loop.

Gelijk als ik dat zeg moet ik grinniken, ik zie dat het haar van Geyrjen wel heel veel grijs gekregen heeft in deze korte tijd, dat kan niet van mij komen. Eerder had ik ook al gedacht dat ik een beetje rood-bruine haartjes zag. Ik zeg niets en lach van binnen. Verfwerk? Ook zijn snor en wat baardhaar beginnen te groeien. Bij Sujen zie ik ook per dag meer baardgroei komen. Zo zullen ze bij mij ook zien dat de grijze haren beginnen te domineren, mijn oksels en benen zijn ook niet meer stralend glad.

De zon geniet met ons mee en vergezelt ons op het pad. Als er opeens een stijgend stuk inzit, baal ik stevig. Ik heb helemaal geen zin meer om omhoog te gaan. Ik heb mijn buik er vol van.

Zo dalen we verder naar beneden. Een prachtig pad door het bos. Grote struiken met gele bloemetjes hebben hun bloemblaadjes als confettie voor me neergestrooid. Zouden ze weet hebben van mijn prestatie? Grote keien worden vervangen door kleinere, het pad wordt beter begaanbaar. Als er opeens een hek van planken naast het pad staat weet ik dat de bewoonde wereld dichtbij komt. Soms diep soms dichtbij gaat de rivier met het witte water aan onze linkerhand mee. Als ik omkijk zie ik nog wat besneeuwde pieken, een wit wolkje drijft er rustig voorlangs en doet de sneeuw weer even verdwijnen. Hier aan natte kant zijn er meer bloemen als ooit, natuurlijk heeft ook de temperatuur ermee te maken.

Langzaam wandelen we zo het voorjaar in. Waar gister de wilde bosaardbei nog bloeide, is hij hier al rijp. Rood-roze rododendron zo hoog als de bomen strooien de uitgebloeide bloemen als een tapijt. Op de bomen groeit een dikke laag mos, in het mos zie ik de varens weer ontspruiten. De subtropische invloed is hier op deze hoogte duidelijk aanwezig.

We gaan aan de kant voor jongens die golfplaten dragen met een band om hun hoofd, met ongeloof zie ik hoe ze met deze bijna idioot zware vracht op slippers lopen.

Weer even verder ga ik het pad af voor een beeldig wit bloempje en dertig meter verder ruik ik aan de bloemen van een struik die me erg aan de Lelietjes der Dalen doen denken. Bij een waterplas wemelt het van de blauwe vlindertjes. Genietend ga ik op mijn knieën. Voor de laatste keer vul ik mijn fles met het koude bergwater. Zo gaan we stap voor stap naar beneden.

Mijn voeten zweten, ik voel ze zwellen.  Maar er is ruimte genoeg in mijn schoenen. Hoe vaak ik daar niet dankbaar aan heb gedacht. Het advies van Peter Koelemeyer is goed geweest. Deze Lowa Renegate zijn perfect geschikt voor deze tracking. Bij het klimmen en klauteren over de rotsen kon ik rotsvast op ze vertrouwen. Door beekjes hield ik droge voeten en in de sneeuw waren de profielen van mijn schoenen veiliger als de “spikes” die ik voor de sneeuw had gekocht. En nu met het dalen, ze zijn ruim genoeg.

Als ik een hek zie van planken weet ik dat we weer in de bewoonde wereld komen. Niet veel later zie ik akkertjes met groente en de eerste huisjes.

Het dorp Tonche ligt prachtig in een vallei voor me. Aan weerszijde rijzen de kaarsrechte bergwanden omhoog en doen het dorp op miniatuurtjes lijken, een schilderachtig beeld. Als ik dichterbij kom zie ik heel iets anders. En Gyerjen vertelt. ‘Vorig jaar is er tijdens de regentijd een vloedgolf geweest die over een stuk van wel vijf kilometer op grote hoogte mensen, huizen, bomen, echt alles heeft meegesleurd. De hangbrug werd als een stukje speelgoed weggeslagen. Hoog boven de rivier stond een prachtig hotel, alleen de toegangspoort herinnert er nog aan.’ Stomgeslagen kijk ik naar de chaos, naar de afgekalfde bergwanden, naar de hangbrug die dubbelgeslagen tegen de wand ligt. Hoe vaak ben ik niet over deze bruggen gegaan. Ze gaven me een veilig gevoel van vrijheid met het kolkende water onder me.

De Marshyangdi rivier bruist zijn grijze water, zich niet storend aan wat er vorig jaar gebeurd is, naar beneden. Draait in alle onschuld zijn waterkolken om de rotsen.

Ons hotel staat precies boven de grens waar het fout ging.Via een noodbrug van houten palen vlak boven het water komen we aan de overkant. We klimmen omhoog over de afgekalfde wanden tot we er zijn.

Uit het raam kijkend komen er vragen, hoe heeft dit kunnen gebeuren? Werden de mensen ‘s nachts verrast. Het heeft een flinke impact op me, het feestelijke gevoel verdwijnt. Ik blijf naar buiten kijken, naar iets wat nog geen jaar geleden is gebeurd.

Geyrjen beantwoord rustig mijn vragen:  ‘In de regentijd komt er veel water van boven uit de bergen en de rivieren zijn hierdoor meters breder. Boven in de bergen was een landverschuiving geweest en die blokkeerde de rivier.  Daardoor ontstond er een soort meer en dat door het inkomende water steeds hoger kwam te staan. Tot door de druk van het water de versperring meegaf en al het water als een tsunami naar beneden donderde en alles met zich meesleurde wat het op zijn weg tegenkwam.’

Ondanks dit drama drinken we ‘s avonds toch van de Bimtangkoffie. Een verbeterde versie van gister. Het is op smaak gebracht met koffiepoeder en yakboter. Voorzichtig nip ik eraan. Het smaakt prima. We kletsen en kijken vooral terug naar onze tijd samen in de Himalaya’s. Morgen gaan we met de jeep naar Besisahar, tenminste als er een beschikbaar is en anders lopen we.

Als ik in mijn slaapzak kruip ontdek ik opeens dat alle extra kleren uitkunnen. Ik rits de slaapzak zelfs open, ik heb het warm!

Het bruisende witte water, 2700 meter

12 mei. Gister hoorde ik de koekoek. En inderdaad de zon schijnt en de wolken zijn in de minderheid. Prachtige witte bergen staan om me heen. De Naiki peak en direct achter mijn huisje steekt de Manaslu trots zijn twee pieken omhoog. Ik heb geen enkele spierpijn of andere klacht overgehouden van gister en ik heb de slaapuren dik ingehaald, 

We vertrekken voor het eerst pas om half negen. De jas blijft in de tas. We gaan verder waar we gister gestopt zijn. De afdaling via de andere kant. De zogenaamde Rocky Mauntains. Rotsachtig, dat zijn ze en daarmee een aanslag op mijn knieën.  Waar ik ruim een week over heb gedaan, gaat het nu vliegensvlug naar beneden. Al snel komen we in het Annapurna reservaat. We lopen door het bos. Hoge bomen vol met mos dat als dikke dekens over de uitlopende takken hangt. Stukken rots, zo groot als een huis liggen nonchalant tussen de bomen. Elke stap naar beneden moet ik zorgvuldig uitzoeken. Toch ontkom ik er niet aan dat ik af en toe een misstap maak. Het tempo van de jongens kan en wil ik niet volhouden. Natuurlijk wil ik veilig thuiskomen. Daarbij heb ik Fleur beloofd dat ik voorzichtig zal doen.


De rivier de Dudh Khola komt aan onze linkerkant. Het water ziet zo wit als melk en komt rechtstreeks van de gletsjers. Het ziet er echt heel gek uit, ik blijf ernaar kijken.

Een grijze aap met een zwarte snoet steekt voor ons over, hij laat zich nog even bekijken maar verdwijnt voor ik een foto van hem kan maken tussen de rotsen. Naarmate we meer dalen wordt het groener om ons heen.De rhododendron bloeit aan deze kant nog volop. Planten met een bijna prehistorische uitstraling, de bloemen paars met groene strepen staan overal. De bladeren ervan worden hier gegeten. Steeds meer bloemetjes bloeien er. De zon wordt scherper en ik smeer mijn armen en wangen in. Na twee uur dalen drinken we thee met melk in een lodge. We zitten in de keuken om het fornuis wat ze stookt met hout. Het is er gezellig. De vrouw met glimmende pretogen en met veel oorringen praat in het Nepalees met de jongens. Mijn ogen gaan over het netjes opgestelde serviesgoed. De blinkende pannen en de keurig aangeveegde vloer. Als een kip naar binnen durft te komen wordt hij eruit gejaagd. Resoluut sluit ze een hek.

Even verder loopt er een groot koppel schapen met een krullige vacht en geiten met lang haar. De herder vertelt trots dat hij er wil 300 heeft. Hij houdt de dieren voor de wol. Inderdaad, ze lopen echt overal. Ze zijn mak en laten zich makkelijk pakken. Een klein wit geitje blijft me mekkerend achtervolgen. Uiteindelijk neemt Sujen hem onder zijn arm en brengt hem terug naar de kudde. Er zijn hier veel minder muilezels en Yak’s zal ik niet meer zien. In het Annapurna reservaat komen veel meer toeristen. Je kan hier namelijk ook zonder gids lopen.

Na vijf uur bijna continu afdalen door het bos komen we bij onze Lodge: The Seven Sisters in Surki Khola. Mijn knieën vinden het wel goed zo. We zijn hier de enigen. Hoge rechte rotswanden en wanden met veel bomen omhullen de huisjes. Er is geen stroom. Een enkel solarlampje hangt in de keuken. De melkwitte rivier vind brullend zijn weg over de rotsen direct naast mijn huisje.

Ik maak mijn bed in orde en leg alvast mijn hoofdlamp klaar. Het wordt tijd om een deel van mijn kleren te wassen, ik heb tijd genoeg en er is hier een prachtige wasplaats. Ik was alleen de kleren die echt nodig zijn, de kans is groot dat ze morgen niet droog zijn.Met groene zeep en veel bergwater bewerk ik de vlekken. Druipend hangen ze over een lijntje. Net als andere dagen verdwijnt de zon en komen de wolken naar beneden. Net als andere dagen wordt het in de middag regenachtig.

Vanavond eten we Daal bath: rijst met curry en groenten. Geyrjen  komt thee brengen. Hij ziet dat ik in mijn slaapzak ben gekropen. ‘Kom in de keuken’, zegt hij, ‘daar is het lekker warm.’ Weer zitten we gezellig om het fornuis, een centraal punt in het huis.. De jongens drinken zelfgemaakte alcohol. Voorzichtig doe ik mee, het is volgens hun slechts 6 %. Én je moet het warm drinken. Ik nip voorzichtig want de geur én smaak doen me het meest denken aan de waraki uit Uganda, die is eerder 20% als het nog niet meer is.

Het worden gezellige uurtjes zo rond het vuur. Wat een feest als ik ontdek dat het spelletje op de telefoon van Sujen hetzelfde als ons “kees-spel” is.  Hij zit ook op zijn praatstoel. De reden dat hij geen vriendin heeft zegt hij is omdat hij voor Nepalese begrippen te lang is: 1.85 meter. Ook de kasten (standenverschil) speelt mee. Hij woont op een kamer in Kathmandu. Koken doet hij nooit. Hij eet elke dag Daal bath in een restaurant omdat je er veel en goedkoop van kan eten. Zo vertelt Gyaljen dat zijn vrouw alles heeft moeten opgeven om met hem te trouwen omdat ze uit een andere kaste kwam.

Ik heb veel om over na te denken, wat een wereld van verschil. In het stikkedonker ga ik naar mijn lodge. Met mijn hoofdlamp op rommel ik nog wat met mijn spullen. Niet lang, de slaap verleidt me. De melkwitte rivier bruist onveranderd onder mijn raam door.

Larkya La pass bereikt, 5106 en 5130 meter

11 mei. Na een rampzalige nacht sta ik om half vijf op. Ik had de hele nacht last van een drukkend gevoel op mijn borst, ik kon niet goed doorademen. Ik dacht aan de saturatiemeter die de Maleisiërs meehadden. Ze hadden allemaal een waarde rond 87. Dat is in bepaalde situaties zelfs goed voor extra zuurstof. Een normaal waarde is rond 98. Nieuwsgierig vroeg ik of ik ook mocht meten. Met gemengde gevoelens keek ik naar mijn waarde: 86/87.  Ik schudde even met mijn hoofd en twijfelde aan de correcte werking van het apparaat want ik voelde me prima zo zittend op de stoel. Maar liggend in bed werd ik met de waarheid geconfronteerd, een drukkend gevoel op mijn borst hield me wakker, ik kon niet goed doorademen. Alle ontspanningsoefeningen en afleiding die ik kon bedenken paste ik toe want ik vreesde de dag  die ging komen. En dan ook nog niet goed uitgeslapen.

Om twee uur staan de groep Maleisiërs op, luidruchtig beginnen ze zich voor te bereiden op de dag. Tot drie keer aan toe trekken ze de deur open en schijnt er een hoofdlamp naar binnen. Ik hou me in maar het liefst had ik een verwensing geuit.

Alleen zit ik in de troosteloze barak aan mijn ontbijt van noedelsoep. Buiten wordt het licht, de contouren van de bergen komen te voorschijn. Als grijsbleke rechters  staan ze daar. Met de minuut kleuren ze naar een meer lichtblauw.

Precies zeven minuten na vijf uur gaan we onderweg. Meteen al word ik geconfronteerd met mijn lage zuurstofgehalte.  Ik sluit me van alles af en concentreer me volledig op mijn ademhaling. Maar als de zon de top van de berg voor me  prachtig doet oplichten alsof er een schijnwerper op staat kan ik daar alleen maar met tranen in mijn ogen ervan genieten.

Na de weiden komen de morenen. Ik had gister nog aan  Geyrjen gevraagd wat morenen waren. Waarop hij antwoordde: ‘Dat zijn gletsjers, maar dan zonder sneeuw, door de natuur gevormd.’ Ik weet nu hoe het is. Zwaar om te lopen, een onvoorspelbare laag van losse stenen en dan ook nog flink stijgend. Als ik af en toe omkijk kan ik me niet voorstellen dat ik daarover gekomen ben. Maar als ik even realistisch kijk naar mezelf dan weet ik wat ze voor mij betekenenden en vooral wat ze nog gaan betekenen. Ik kan namelijk geen dertig schuivelstapjes zetten zonder volledig buiten adem te zijn. Over mijn stokken hang ik uit te hijgen. Als mijn hartslag weer wat zakt onderneem ik het volgende stuk. Ik durf niet voor me uit te kijken naar wat nog gaat komen.

Na ruim een uur nemen we de eerste pauze. De zon is inmiddels over de bergen en verwarmt mijn rug. De jas en het vest gaan uit. Maar aan mijn koude tenen voel ik de vorst nog in de grond. Met een  chocoladereep in mijn hand  zit ik op een stuk rots. Ik kijk naar de prachtige witte bergen om me heen en luister naar de intense stilte. Niets helemaal niets verstoord het. Zelfs geen zuchtje wind. Dit heb ik nog nooit meegemaakt, zo stil is de wereld in oorsprong overal geweest realiseer ik me. Wat hebben we er eigenlijk puinhoop van gemaakt bedenk ik me opeens.

Bergbloemen die dicht tegen de rotsen aangroeien ontdooien in de eerste zonnestralen. De vorst glinstert als diamantjes op de bloemblaadjes. Een vogel met een rode staart en een rood hoofdje doorbreekt de stilte. Een klein bruin vogeltje met mooie strepen trippelt onbevangen een tijdje met ons mee. Even verder wijst Gyaljen me op twee berghanen.

Na de pauze gaan  we verder. Ik kom nog maar nauwelijks voorruit. ‘Loop als een schildpad’, zeg ik tegen mezelf bij elke stap. Elke stap is er één houd ik mezelf vervolgens voor. Gewoon doorgaan is het enige wat ik uiteindelijk alleen nog maar kan denken. Met het doel zo dichtbij mag en wil ik niet opgeven.  In de korte pauzes probeer ik me op te laden, maar diezelfde energie is na de eerste stap al volledig verdwenen.

Inmiddels gaan mijn voeten over de eerste sneeuwvelden. Ik geniet ervan en hoor het knerpende geluid van de sneeuw onder mijn schoenen. Wat heb ik dat dit jaar gemist en ik maak een selfie van  mezelf in de, voor mij, eerste sneeuw van dit jaar. Het is Gyerjen die zegt dat ik mijn zonnebril op moet zetten. Hij is goud waard, als geen ander weet hij hoe de sneeuw in combinatie met de zon mijn ogen belasten.

Als mijn rechtervoet voor de eerste keer wegzakt in de sneeuw, lach ik nog luid. Met een grijns voel ik hoe de sneeuw smelt in mijn schoen. Ik denk nog: ik ga straks er languit in liggen en laat de jongens er een foto van maken voor Fleur en Sarah en misschien maak ik ook wel een klein sneeuwpopje voor ze.

Als snel verdwijnen die opgewekte gedachten. De sneeuw wordt een extra uitdaging naast mijn zuurstof tekort en mijn hoogtemeters. Waar beneden veel regen viel de afgelopen dagen was het hier sneeuw. Het maakt er een onbetrouwbare zachte laag van. Als mijn voet weer verdwijnt in een sneeuwhol die ik niet heb gezien wordt het minder leuk. Mijn voet wordt koud. De energie om hem er weer uit te trekken heb ik bijna niet meer. Heel even denk ik met mijn voet in de zachte sneeuw: ik blijf zo zitten, ik stop ermee.

Bij de volgende stop doe ik mijn gaiters aan en doe de spikes onder mijn schoenen. De sneeuw komt nu in ieder geval niet meer in mijn schoenen. De spikes? Ik twijfel of ze me zoveel voordeel geven. Op de stukken rotsen die uit de sneeuw steken zijn ze juist gevaarlijker. Ik heb meer vertrouwen in mijn Lowa renagete die een goed profiel hebben. Geyrjen doet ze weer voor me af, ik heb de fut niet meer om me te bukken. Hij laat me zien hoe ik mijn voeten goed in de sneeuw moet drukken als we een wand  dwars over moeten over een richel van precies één voet breed. Desondanks glijden mijn voeten naar een richting waar ik ze juist niet wil hebben. Als Geyrjen en Sujen even uit zicht zijn zakt mijn hele rechterbeen tot mijn kruis weg in de sneeuw. Voorzichtig draai ik me op mijn buik op de sneeuwlaag en blijf even ontmoedigd liggen, daarna zie ik kans mijn been er weer uit te trekken. Met trillende benen sta ik op. Met mijn wandelstokken tast ik de massa om me heen af. Keer op keer zakken die diep weg in de sneeuw. Ik concentreer me nu op de stappen voor me die al zijn gezet door een ander en ik hoop dat die me dragen.  Mijn zonnebril zorgt gelukkig dat ik goed de diepteverschillen kan zien.

Aan de andere kan van het ravijn is keer op keer het donderende geluid te horen van lawines.  Niet veel later zie ik voor het eerst in mijn leven er een met eigen ogen hoe de donderde witte massa een weg vind naar beneden. Niks geen sneeuwpop gevoel meer. De euforie van het eerste sneeuwlaagje is volledig verdwenen. De sneeuw wordt een extra vijand.

Als na vijf uur zwoegen de zevenhonderd meter zijn afgelegd wijst Geyrjen enthousiast met zijn stok naar iets met vlaggen. ‘ Larkya pass’ ,roept hij blij keer op keer. Er komt een gevoel van ongeloof bij me binnen: komt er een einde aan deze hel?  Is het me dan toch gelukt? Zal dat waar ik al jaren met een hol gevoel van binnen steeds naar keek dan toch zover zijn? Ik kan bijna niet meer en sleep me door de laatste meters. Daar ligt het voor me: de Larkya la pass op 5103 meter hoogte. Ik heb dit beeld zo vaak gezien op foto’s van anderen. Veel stralender, mooier dan ik me had kunnen bedenken ligt het nu voor me. Het lijkt of de kleuren van de Nepalese gebedsvlaggen  meer kleur hebben dan ooit. Of ze speciaal,voor mij daar zijn opgehangen. Uitnodigend wapperen ze naar me. We feliciteren elkaar en dan zak ik op een steen neer voor het monument en veeg met mijn hand over de cijfers: 5103.  Met ongeloof blijf ik er naar kijken. Ik voel de tranen omhoog komen in mijn keel. Met een brok in mijn keel zeg ik slechts tegen Gyerjen: ‘ Er is hier zoveel aan vooraf gegaan.’ Ik denk aan die sportkeuring die een streep leek te halen door mijn plannen. Aan alle onderzoeken die volgden bij de cardioloog. De vernauwing in mijn kransslagader die uiteindelijk toch geen belemmering hoefde te zijn. Het vertrouwen dat de cardioloog me weer gaf.  Als de mannen even niet kijken komen er toch tranen.

Maar dan slik ik ze door. Ik wil het vieren! We maken selfies van ons drieën. Stralende gezichten worden vastgelegd. Dan druk ik mijn telefoon in de handen van Gyerjen. Ik ga staan en steek mijn handen in de lucht. Dit is mijn moment. Mijn overwinning!

Hierna gaat het nog even omhoog naar 5130 meter hoogte. Voor we over de top verdwijnen kijk ik nog even om. De vlaggen zwaaien nog één keer naar me. Ik neem het beeld in me op en concentreer me daarna op de afdaling. Ik ga het gevecht weer aan met de sneeuw. Opeens omhult een dichte mysterieuze mist ons, er is geen berg meer te zien. We zijn alleen met de witte massa. Drie uur lang ploeteren we er door tot de keien het overnemen van de sneeuw. Straf gaat het verder naar beneden. Mijn knieën protesteren, steeds vaker komt er een misstap.

Opeens merk ik dat ik niet meer naar adem hoef te happen, het tekort aan zuurstof in mijn bloed speelt me geen parten meer. Uur na uur gaan we door dit grauwe  landschap van grote brokken rots en keien. Aan de kale bomen hangen vaal-groen gekleurde  haarachtige slierten. Ze geven een sinistere sfeer.

Met verwondering zie ik opeens een dennenboompje. Aan het uiteinde van de takken groeien lichtgroene nieuwe scheuten. Het voelt alsof we weer in het land van de levende komen.

Om half drie komen we bij een ruimte waar je thee kan drinken. Ik ben kapot. Ik trek mijn schoenen uit en ga languit liggen. Alles doet zeer, mijn rug, mijn knieën, mijn voeten. Ik wil niet meer. De hete thee brengt weer wat leven in me. De noedelsoep staat me tegen en gaat er nauwelijks in. Geyrjen dringt er opaan dat ik het opeet.

Inmiddels klinkt het geluid van regen op het golfdak. We trekken onze regenkleren aan.  Nog twee uur stevig afdalen tussen en over de  keien. De soep heeft me toch de energie gegeven die nodig was. Ik zet mijn verstand op nul en ga de laatste twee uren aan.

Om kwart over vier, elf  uur later val ik op het bed  neer van mijn lodge in Bimthang. Een schattig gebouwtje voor mezelf. Even later komt Sujen me halen, ik zie  zijn bezorgde ogen. ‘Kom Vironi’ , zegt hij, ‘de kachel brandt binnen.’ Hete melkthee wacht op me bij een roodgloeiende kachel.

Een douche met lauw water, gewassen haren en schone tanden maken weer vrouw van me. Bijna tegen de kachel aangeplakt pak ik mijn telefoon en voor het eerst kijk ik naar de foto. Met ongeloof kijk ik er naar. De Larkya La pass. Het is me gelukt…

De kleding in de slaapzak. 4400 meter.

10 mei. Door het gordijn zie ik de zon al. De donsjas blijft in de tas ik poets mijn tanden met het ijskoude bergwater en hiermee is mijn ochtendtoilet gedaan. Ik voel een hol gevoel in mijn maag en ik verknoei mijn zuurstof meteen al op de trap. Ik moet eerlijk toegeven dat ik eigenlijk bloednerveus ben. We gaan vandaag naar 4460 meter en de dag daarna naar 5130 meter. Verdraagt mijn lichaam dat?

Een paar dagen terug irriteerde mijn linker lens en ik had een drukgevoel achter mijn oog. Thuis is dat vaak de voorbode van drie dagen hoofdpijn. Maar nu speelde er een andere onrust. Hoogteziekte? Daar was maar één antwoord op: normale hoofdpijn is te onderdrukken met paracetamol maar hoogteziekte niet. Niet langer wachtend heb ik meteen onderweg mijn lenzen uitgedaan.  Dat gaf al verlichting. Met paracetamol verdwenen de klachten gelukkig met één dag.

De chappaties zijn klein en ik ben bang voor een herhaling van gister. Ik neem me voor om de reep eerder aan te spreken. Ik stuur nog een laatste app naar huis en zeg heel eerlijk dat ik best gespannen ben.

Acht uur precies gaan we onderweg. Het eerste stuk is hetzelfde als gister naar de grens van Tibet. Stap voor stap stijgen we. Ik merk dat, wanneer er een soort natuurlijk trap is, ik na drie van die treden al moet uithijgen. Zo langzaam mogelijk ga ik verder. Er zijn stukken die gelukkig goed gaan. Elke korte pauze omarm ik en neem ik de tijd om te genieten van het weergaloze uitzicht dat ik heb op de bergen om me heen. Spierwit steken ze hun toppen omhoog. Duizelingwekkend hoog. Beneden me zweven de Himalaya-buizerds. Ik vind het nog onvoorstelbaar dat ik het ben die hier zit. Het landschap wordt grilliger, we steken grote landverschuivingen over. De boomgrens is inmiddels gepasseerd. Aan de andere kant van het ravijn ligt sneeuw. Als  Geyrjen voor het eerst zegt: ‘Wees voorzichtig Vironi.’ Dan weet ik genoeg.  Er staan nu ook borden die waarschuwen voor landverschuivingen.

Zo onvoorspelbaar als de bergen zijn, is ook het weer. Als een ijskoude wind opsteekt weet ik niet hoe snel ik mijn merinowollen-shirt, het fleecevest en het rode jasje weer aan moet doen. Ik twijfel zelfs of ik mijn handschoenen aan zal doen.  Even later is er weer zon maar als ik me omdraai zie ik de wolken achter me alweer het dal inzakken.

Zo rond 4000 meter zie ik wat weilanden. Half afgebouwde huisjes staan daar verlaten. Als straks de regentijd begint trekken de mensen uit de bergdorpen met hun hele hebben en houden en met de Yak’s daar naartoe. Want in het regenseizoen is er voor de Yak’s geen draagwerk en de akkertjes zijn al geploegd. Over de half afgebouwde huisjes trekken ze een stuk zeil. Zo verblijven ze daar gedurende het regenseizoenen terwijl de Yak’s grazen.  Ik probeer in gedachte er een beeld bij te vormen. Hoe het is om daar in de regentijd onder een zeil te verblijven.

Na een paar uur komt de lodge inzicht, nog even. Rond lunchtijd zet ik mijn laatste stappen omhoog. Deze dag is gelukt. Als Geyrjen uitleg wil geven over morgen zeg ik: ‘Ik wil niets horen, dat zie ik morgen wel weer.’ Van  de drie bestaande lodges is er maar één open, de onkosten om de anderen open te houden zijn te hoog. De lodge bestaat uit slechts twee barakken. Één als gemeenschappelijke ruimte en in de andere zijn slaapvertrekken gemaakt door middel van een simpel wandje. In elke ruimte liggen vier matrassen op de grond. Verder zijn er twee w.c’s. Dat is het. De groep bestaat uit Maleisiërs, Zwitsersen, twee meisje uit Shanghai en twee meiden uit US. De Maleisiërs hebben zakken vol met snoepwerk en alcohol mee.

Ik slaap samen met Geyrjen en Sujen in één


 vertrek, ik ben blij dat ze die keuze voor me hebben gemaakt. Sujen mag in het midden. Ik leg mijn spullen alvast klaar voor vannacht en morgenochtend want er is geen licht. Ik kruip er meteen even in, om uit te proberen wat ik vannacht nog extra aan moet trekken, naast mijn gewone kleren, om warm te blijven. Na een uurtje weet ik dat ik vannacht een muts op moet, mijn handschoenen aan en een stel extra sokken, zo zal het wel gaan.

In de kale gemeenschappelijke ruimte is het gezellig. We kletsen wat met elkaar en even later vragen ze of ik mee wil doen met het kaartspel. Het is een Nepalees kaartspel, de bedoeling is dat je zo weinig mogelijk punten  overhoud. De basisregels begrijp ik snel maar ik heb het gevoel dat er extra regels zijn die ik mis. Maar het is gezellig zo samen en de tijd  vliegt voorbij.

Opeens valt er me iets op. Als ik om me heen kijk zie ik bij iedereen hetzelfde. Zonder uitzondering zijn we allemaal groezelig, zoals de inwoners hier.

We geen een uur eerder eten en meteen daarna slapen. Om half zeven zit ik met al mijn kleren aan nog even lekker te lezen in mijn slaapzak. Mijn marinenwollen legging heb ik aan en Ik heb mijn lange broek onderin mijn slaapzak gestopt, dan is hij morgen niet zo koud. Geyrjen en Sujen eten na mij. Niet lang daarna schuiven ze ook onder hun deken. 

Een dichte mist zakt over de bergen en sluit ons volledig af van de omgeving.

Het wonder dat heet “Chocola”

9 mei. Oei koude nacht. Om zeven uur zit ik aan mijn ontbijt. Twee chappaties met honing en melkthee.

Dit is weer een acclamatisatiedag, we gaan hem goed gebruiken. Om half acht lopen we buiten op weg naar de grens met Tibet. Het pad gaat maar één kant uit: omhoog! Het eerste stuk is glooiend, de bergen hebben hier ook een andere vorm. Tijdens een pauze kijk ik rond, ik zie zo al drie verschillende bergtoppen. De besneeuwde die de zon bijna lijken te raken, de meer glooiende waar wij nu lopen en aan de overkant van het ravijn de grilligen.

Ik kan aan mijn ademhaling duidelijk merken dat we boven de 4000 meter lopen. Het gaat zwaar. Voor het eerst voel ik ook mijn onderrug en ook mijn benen voelen verlammend moe. Ik maak me zorgen, moet ik zo naar de Larkyapas? Ik probeer het te negeren en stop wat vaker om mijn hart tot rust te laten komen. De donsjas gaat uit, de fleecevest gaat uit. De buff trek ik met een zwaai van mijn hals. Ik zweet, ik heb het warm. Het wil allemaal niet erg. Bij de tweede pauze pak ik de chocoladereep. Er waait hier een koude wind, ik moet iets aan doen. Tenslotte pak ik het rode regenjasje en laat die als windstopper fungeren. Langzaam kauw ik op de chocola en spoel het door met water. Als we weer opstaan weet ik niet wat me overkomt.  De chocoladereep deed wonderen, mijn energie keert terug. Het lopen gaat weer relaxed, mijn rugpijn verdwijnt en ik kan mijn ademhaling weer regelen. Als de pas in zicht komt en waar tevens  de grens is, stoppen we. Dit pad wordt ook veel gebruikt voor de handel met Tibet. Voor ik me omdraai kijk ik er nog een tijdje naar. Lopend naar de grens van Tibet, ik had in mijn stoutste dromen niet kunnen bedenken dat ik hier nog een keer zou staan.

Op de terugweg gaan we bijna vliegend naar beneden. Boven me vliegen grote Himalyabuizerds. Ze cirkelen rond op de thermiek hun ogen scherp naar beneden op zoek naar een marmot. Even verder zien we een hele groep van wel twintig buizerds beneden vechten om de prooi.

Als afwisseling nemen we een andere weg, we steken de rivier nu over via de boomstammenbrug. Als we toch weer een stukje omhoog moeten gaat dat lachend. Inmiddels merk ik dat mijn maag leeg raakt. Met de ervaring van eerder weet ik wat me te doen staat. Er moet gegeten worden. Vier uur later zijn we weer terug bij de lodge. De noedelsoep glijdt er soepel in.

Terug in mijn kamer val ik op mijn bed in een korte slaap. Om twee uur hebben we afgesproken. Deze keer trekken we het dorp in. Gyerjen laat het echte leven zien van de Nepalezen. We gaan door de smalle straatjes. Huizen allemaal opgebouwd van platte stenen. Op de velden wordt hard gewerkt. Met twee Yak’s word de grond omgeploegd. Met grote zwaaien wordt even verder gezaaid. Op een hoger terrein heeft iemand een ploeg op benzine. Met al zijn kracht probeert hij de machine te beheersen die duidelijk een eigen wil heeft. Of het nu zoveel sneller gaat als met de Yak’s?

Even verder worden we uitgenodigd. De vrouw praat honderduit, ook Geyljen kan niet alles verstaan de invloed van Tibet is groot. We moeten op de banken om het vuur zitten. Er wordt thee voor ons gemaakt Voorzichtig kijk ik rond en krijg een idee hoe de binnenkant van deze huizen zijn. Om het tochten tussen de stenen door te voorkomen zijn heel eenvoudig dekzeilen omgehangen. Het laatste wat ik zou verwachten. De kachel wordt steeds opgestookt met droge struiken en stukken hout. Afgewisseld met de droge uitwerpselen van de Yak’s. Tegen de wanden zijn stellages gemaakt waar alle huisraad op staat uitgestald. Achter me is een altaartje met afbeeldingen van de Dalai Lama waarvoor een kaarsje. Aan de linkerkant staan bedbanken en hangen alle kleren. De vrouw schenkt voor ons de thee in en nipt zelf uit een kommetje. Het zou zomaar wel eens zelfgemaakte alcohol kunnen zijn. De vrouw vraagt naar mijn man en naar mijn baby’s. Ik tover Arie tevoorschijn op mijn telefoon en ook mijn baby’s. Ze vind ze erg groot maar prachtig. Natuurlijk komen ook Fleur, Sarah en Joep in beeld. Ze aait met haar vinger over de hoofdjes. Ik moet lachen als ik zie hoe ze ongegeneerd al mijn foto’s bekijkt.

Als de thee op is gaan we weer. Maar niet voordat we samen op de foto zijn geweest. En zelfs dat gaat niet vanzelf, ik moet een gekleurde sjaal om. Nu ben ik mooi genoeg voor de foto. Ze klemt me stevig vast terwijl Geyrjen de foto maakt. Natuurlijk, wil ze het resultaat zien. Het zou geen echte vrouw zijn als er toch wat opmerkingen zijn, ze vind haar gezicht niet mooi genoeg.

Geyrjen vertelt later dat hij haar gister ook had gezien toen was ze dronken. Er wordt veel alcohol gedronken in de bergdorpen, bij een enkele is het echt een probleem. Als ik even verder een oudere vrouw luid hoor zingen voor haar woning is het antwoord van Geyljen duidelijk: ze is dronken. Peinzend kijk ik er even naar en vraag mezelf af: alcohol, geluk, een hard leven?

Morgen verlaten we het laatste bewoonde bergdorp, we gaan richting Dharmasala op 4460 meter.

Ik sluit me er nog even vanaf.